ECLI:NL:RBDHA:2026:21264

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL25.25915
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1A VluchtelingenverdragArt. 3 EVRMArt. 4 KwalificatieverordeningArt. 18 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieRichtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning asielvergunning wegens gegronde vrees voor vervolging vanwege betrokkenheid bij Gülenbeweging

Eiser, van Turkse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, nadat hij in Turkije was ontslagen en vervolgd vanwege vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Na afwijzing van zijn aanvraag door de minister, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank oordeelde dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn activiteiten en betrokkenheid bij de Gülenbeweging, mede onderbouwd door landeninformatie en recente ontwikkelingen zoals een nieuw aanhoudingsbevel.

De rechtbank stelde vast dat eiser eerder onder directe dreiging van vervolging heeft geleefd en dat de Turkse overheid nog steeds een groot belang hecht aan het vervolgen van vermeende Gülenaanhangers. De minister had onvoldoende rekening gehouden met eisers politieke overtuiging en de wijze waarop hij zich hierover zou uiten bij terugkeer. De rechtbank voerde een eigen, volledige en actuele beoordeling uit en concludeerde dat aan de voorwaarden voor internationale bescherming is voldaan.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, wees het beroep toe en droeg de minister op om aan eiser een asielvergunning te verlenen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. De uitspraak is gebaseerd op relevante Europese jurisprudentie, de Kwalificatieverordening en uitgebreide landeninformatie over Turkije.

Uitkomst: De rechtbank draagt de minister op om aan eiser een asielvergunning te verlenen wegens gegronde vrees voor vervolging in Turkije.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.25915
V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

geboren op [geboortedatum] 1969, van Turkse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. S. Thelosen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. H. van Halteren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag voor bepaalde tijd. Eiser heeft op 22 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 mei 2025 en het aanvullend besluit van 14 juli 2025 de aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Op 30 april 2026 heeft de minister de rechtbank verzocht om aanhouding, omdat hij nader onderzoek wenst te doen naar de politieke overtuiging van eiser. Eiser heeft de rechtbank diezelfde dag laten weten zich te verzetten tegen het verzoek om aanhouding.
1.3.
Gelet op de lange duur van de procedure, de door eiser aangevoerde beroepsgronden die verder reiken dan het door de minister zelf geconstateerde gebrek in de besluitvorming en het doel van een efficiënte en waar mogelijk finale geschilbeslechting, heeft de rechtbank het verzoek om aanhouding op 4 mei 2026 afgewezen.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer. E. Taskin als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden die hij heeft aangevoerd.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser verklaart dat hij vanwege zijn werkzaamheden en activiteiten voor de Gülenbeweging is ontslagen. Eiser verklaart dat hij dit via verschillende rechtszaken heeft geprobeerd aan te vechten, maar dat zijn verzoeken zijn afgewezen. Op 21 november 2017 heeft eiser een aanhoudingsbevel ontvangen wegens lidmaatschap van de gewapende terroristische beweging FETÖ [1] (hierna: de Gülenbeweging). Eiser verklaart in 2019 één dag vast te hebben gezeten, door de politie te zijn verhoord en dat hij daarna zijn proces in vrijheid heeft mogen afwachten. Hierna heeft eiser een uitreisverbod en een meldplicht gekregen. Op 8 februari 2022 heeft het Turks Turkse Openbaar Ministerie besloten eiser niet te vervolgen wegens gebrek aan bewijs. Eiser verklaart in december 2022 te hebben vernomen dat zijn naam genoemd werd in de rechtszaak tegen zijn jongere broer. In januari 2023 heeft een juridisch medewerker tegen eiser gezegd dat er ook een onderzoek tegen hem loopt. Dit, in combinatie met de verkiezingsuitslag, heeft ertoe geleid dat eiser heeft besloten om Turkije te verlaten.
3.1.
Op 6 oktober 2024 heeft eiser van zijn advocaat uit Turkije een update over zijn juridische procedures ontvangen. Eiser heeft een document overgelegd waarin wordt gesteld dat er een aanhoudingsbevel tegen hem is uitgevaardigd op 24 september 2024. Eiser verklaart dat zijn familie vanaf juli 2024 is gebeld en aan hen is verteld dat eiser zich moet melden wegens een aanhoudingsbevel. Ook zijn er mensen bij eisers familie langs geweest. Eiser vreest bij terugkeer naar Turkije te worden vervolgd en gevangen te worden gezet vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging.
Het bestreden besluit
4. Volgens de minister bestaat eisers asielrelaas uit de volgende relevante elementen:
  • zijn identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • zijn problemen vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging en een lopend strafproces.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn problemen vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging en een lopend strafproces, niet. Ten aanzien van de problemen vanwege de betrokkenheid bij de Gülenbeweging en een lopend strafproces, stelt de minister zich op het standpunt dat wel geloofwaardig wordt geacht dat eiser is ontslagen vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging en dat er een strafproces tegen hem liep waarin is afgezien van vervolging. Wat de minister niet geloofwaardig acht, is dat er een nieuw strafproces tegen eiser loopt. Eiser heeft dit volgens de minister onvoldoende onderbouwd met documenten, omdat van hem wel kan worden verwacht dat hij uit het e-Devlet documenten kan overleggen waaruit een strafrechtelijke vervolging blijkt. Uit het document van eisers advocaat uit Turkije waarin staat dat eiser wordt gezocht en dat er een aanhoudingsbevel tegen hem is aangekondigd, wordt volgens de minister niet duidelijk hoe de advocaat aan de informatie komt dat er een strafrechtelijk onderzoek naar eiser loopt. Ook is niet duidelijk waar de advocaat dit op baseert. Daarnaast acht de minister het opmerkelijk en niet waarschijnlijk dat een juridisch medewerker aan eiser informatie heeft verstrekt dat er een nieuw strafrechtelijk onderzoek naar eiser is opgestart. Verder acht de minister het niet aannemelijk dat eiser legaal heeft kunnen uitreizen als er een aanhoudingsbevel tegen hem is uitgevaardigd. De minister wijst de aanvraag daarom af als ongegrond.
De beroepsgronden van eiser
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij wel degelijk opnieuw strafrechtelijk wordt vervolgd. De minister is volgens eiser ten onrechte niet ingegaan op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. Volgens eiser is het strafrechtelijk verhoor dat in 2019 heeft plaatsgevonden en dat eiser daarmee werd bedreigd in zijn vrijheid, afgezet tegen de algehele situatie ten aanzien van Gülenaanhangers in Turkije, een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag [2] . Dat de aanhouding niet heeft geleid tot verdere strafrechtelijke vervolging, doet daar volgens eiser niet aan af. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat uit zijn verklaringen blijkt dat de uitlatingen van de medewerker van justitie over een tegen hem lopende strafzaak, erop duiden dat er een geheim dossier tegen eiser is. Volgens eiser is het evident dat de medewerker van justitie een vergissing heeft gemaakt door de informatie met hem te delen en dat deze medewerker zich corrigeert om zo zijn fout te verhullen. Ook heeft eiser documenten overgelegd waaruit blijkt dat zijn broer strafrechtelijk wordt vervolgd. De vervolging van zijn broer is een belangrijke factor die volgens eiser niet kenbaar betrokken is bij de beoordeling van zijn asielaanvraag.
6. De rechtbank vat de overige gronden van eiser zo op dat hij zich overkoepelend op het standpunt stelt dat de minister ten onrechte geen gegronde vrees voor vervolging heeft aangenomen. Hiertoe voert hij een aantal argumenten aan. De minister heeft ten onrechte niet alle documenten die zijn overgelegd betrokken bij de beoordeling. Ook had de minister volgens eiser breder moeten kijken en alles dat bekend is over het land van herkomst moeten betrekken bij de beoordeling. Het risico op strafrechtelijke vervolging had eveneens in die beoordeling moeten worden betrokken. De minister heeft daarnaast onvoldoende bij de beoordeling betrokken dat eiser behoort tot een sociale groep. Er mag niet van eiser worden verwacht dat hij zich bij terugkeer naar Turkije terughoudend opstelt. De minister had moeten beoordelen wat de risico’s voor eiser zijn als hij zich openlijk uit en wat de reactie van de autoriteiten daar naar verwachting op zal zijn. Ten aanzien van zijn legale uitreis, is eiser ervan uitgegaan dat het eerder uitgevaardigde uitreisverbod was opgeheven door de verkiezingen in 2023 en het strafrechtelijk sepot. Eiser erkent dat hij een risico heeft genomen en enig geluk heeft gehad door uit te reizen terwijl hij wist dat hij een uitreisverbod had of opnieuw zou krijgen, maar dat hij het uitreisverbod kennelijk voor was.
7. Op zitting heeft de minister mede op grond van de door eiser in de beroepsfase overgelegde documenten aangegeven inmiddels te geloven dat een nieuw strafrechtelijk onderzoek tegen eiser is gestart in verband met verdenking van lidmaatschap van de terroristische organisatie FETÖ. De minister heeft daarbij opgemerkt dat dit echter nog niet betekent dat eiser ook daadwerkelijk te vrezen heeft voor vervolging.
De beoordeling van de rechtbank
8. De rechtbank stelt, samen met partijen, vast dat de minister in het nader gehoor en het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op eisers politieke overtuiging en de wijze waarop hij zich bij terugkeer daarover wenst te uiten. Het beroep is reeds daarom gegrond.
9. De rechtbank ziet voorts aanleiding om dit gebrek in de besluitvorming te passeren, omdat de rechtbank uit het voorliggende dossier en het verhandelde ter zitting reeds nu kan opmaken dat aan eiser een asielvergunning als vluchteling dient te worden verstrekt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Toetsingskader
10. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. [3] Dit houdt in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen. [4] Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. [5] Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. [6]
10.1.
Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilum [7] heeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, derde tot en met het vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn. [8] Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. [9] De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant. [10] Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst. [11]
10.2.
De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of eisers asielrelaas geloofwaardig is en (2) of hij een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister. Daarom zal de rechtbank niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.
10.3.
Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. [12] De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. [13] Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.
De relevante feiten en omstandigheden
11. De volgende feiten en omstandigheden zijn grotendeels met documenten onderbouwd. Dat is niet in geschil.
11.1.
Eiser heeft op 14 januari 2014 de vakbond [naam] opgericht. De reden hiervoor was dat eiser en een aantal collega’s op het werk bij de [universiteit] werden gepest, tegengewerkt en/of overgeplaatst omdat zij Gülenaanhangers waren. Andere vakbonden wilden hen daarbij niet helpen.
11.2.
Eiser verrichtte in Turkije ook andere activiteiten die verband hielden met – dan wel worden toegedicht aan de Gülenbeweging, zoals deelname aan sohbets, het organiseren van symposia, deelname aan de Turkse olympiade en het organiseren van een Boekenweek. Verder had eiser een bankrekening bij de [bank] , gingen zijn kinderen naar een Gülenschool en had eiser een abonnement bij de krant Zaman alsook abonnementen bij diverse aan de Gülenbeweging toegeschreven tijdschriften.
11.3.
De door eiser opgerichte vakbond is bij decreet van 25 juli 2016 opgeheven. Het bezwaar tegen deze opheffing is door de OHAL [14] -commissie afgewezen omdat de vakbond banden zou hebben met FETÖ. Zeventien leden van deze vakbond zijn in Turkije veroordeeld voor (vermeend) Gülenisme, onder andere als gevolg van hun lidmaatschap van deze vakbond.
11.4.
Op 4 november 2016 is eiser door de universiteit ontslagen. Op 22 november 2016 is hij vervolgens ook per decreet ontslagen in verband met lidmaatschap van de terroristische organisatie FETÖ. Dit decreet is door de hoogste bestuursrechtelijke instantie [15] bij uitspraak van 22 november 2023 bekrachtigd.
11.5.
Op 21 november 2017 is een aanhoudingsbevel voor eiser uitgevaardigd in verband met de verdenking van lidmaatschap van FETÖ. In 2019 is eiser aangehouden, strafrechtelijk verhoord en na één dag weer vrijgelaten. Aan eiser is daarbij een uitreisverbod en meldplicht opgelegd.
11.6.
Op 8 februari 2022 besluit het Turkse Openbaar Ministerie eiser niet te vervolgen. Als reden wordt gegeven dat er onvoldoende bewijs is tegen eiser. Ook wordt geschreven dat bij nieuw bewijs een nieuwe strafzaak tegen eiser kan worden geopend.
11.7.
Op 25 juni 2023 verlaat eiser Turkije. Naar eigen zeggen omdat hij had gehoord dat zijn naam in een Gülenstrafzaak tegen eisers jongere broer voorkwam, een medewerker van justitie in januari 2023 hem had gezegd dat een strafrechtelijk onderzoek tegen hem was gestart en op 28 mei 2023 bleek dat Erdogan de presidentsverkiezingen opnieuw had gewonnen.
11.8.
Op 24 september 2024 wordt een nieuw aanhoudingsbevel tegen eiser uitgevaardigd. Op 4 maart 2025 wordt eisers verzoek om inzage in zijn strafdossier door het Turkse Openbaar Ministerie afgewezen. Op 9 oktober 2025 wijst de Turkse rechtbank eisers bezwaar tegen geheimhouding van het strafdossier af omdat het een misdrijf betreft dat valt binnen de context van een terroristische organisatie.
11.9.
Eisers jongere broer wordt strafrechtelijk vervolgd voor lidmaatschap van de terroristische organisatie FETÖ.
11.10.
In Nederland verricht eiser activiteiten voor de [stichting] . De stichting wordt door de Turkse overheid gelieerd aan de Gülenbeweging. Twee vrienden van eiser, tevens medebewoners bij het COa [16] , verrichten dezelfde activiteiten voor de stichting. Tegen deze twee vrienden loopt een Turks strafrechtelijk onderzoek vanwege activiteiten bij deze stichting.
11.11.
De rechtbank zal van deze feiten uitgaan bij de beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Turkije.
Gegronde vrees voor vervolging
12. De rechtbank merkt allereerst op dat zij een strafrechtelijke vervolging inzake (vermeend) Gülenisme ziet als vervolging wegens het behoren tot een sociale groep alsook een politieke overtuiging zoals bedoeld in artikel 1A, sub 2, van het Vluchtelingenverdrag.
13. Uit de onder overweging 11-11.11 weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat tegen eiser eerder een strafproces heeft gelopen waarbij is afgezien van vervolging voor de strafrechter. Anders dan de gemachtigde van eiser heeft bepleit, valt het enkele strafrechtelijk aanhouden en verhoren inzake (vermeend) Gülenisme op zichzelf niet onder vervolging te scharen als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. Ook niet als de context van Turkije en de strijd van de overheid tegen (vermeend) Gülenisme wordt meegenomen.
14. Anders dan de minister is de rechtbank daarentegen wel van oordeel dat hetgeen eiser is overkomen gekwalificeerd dient te worden als ‘rechtstreeks bedreigd met zulke vervolging’ als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. Eiser heeft immers in 2017 een aanhoudingsbevel ontvangen wegens lidmaatschap van FETÖ, is in 2019 vervolgens aangehouden en strafrechtelijk verhoord en heeft eerst in 2022 een beslissing van het Turkse Openbaar Ministerie gekregen dat hij wegens gebrek aan bewijs niet zal worden vervolgd. Eiser heeft ongeveer vijf jaar onder de dreiging geleefd dat hij op een dag voor de strafrechter zou worden gebracht. Deze vrees was ook reëel nu de activiteiten die eiser had ontplooid in verband met – en ten behoeve van – de Gülenbeweging zonder meer tot een strafrechtelijke veroordeling hadden kunnen leiden.
15. Uit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening volgt dat blootstelling aan (bedreiging met) vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en dat hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen. [17] Uit vaste rechtspraak van het EHRM [18] volgt eveneens dat het dan aan de minister is alle twijfels over een risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [19] weg te nemen. [20]
15.1.
De enkele stelling van de minister ter zitting dat weliswaar geloofwaardig wordt geacht dat er momenteel tegen eiser een strafrechtelijk onderzoekt loopt, maar dat er op dit moment geen sprake is van een strafrechtelijke vervolging is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aannemelijk te maken dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging loopt. Sterker, eiser leeft reeds nu al met een rechtstreekse bedreiging van een vervolging. Zoals gezegd heeft eiser ook voldoende activiteiten verricht om strafrechtelijk veroordeeld te kunnen worden.
16. Hierbij betrekt de rechtbank de navolgende over Turkije bekende informatie.
16.1.
Uit de landeninformatie blijkt dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije. De intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken is nog onverminderd groot [21] . De negatieve aandacht is zelfs verbreed, onder andere naar burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en/of hun familieleden, het zogenaamde ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging [22] .
16.2.
Voorts volgt uit de landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen dan wel zijn vrijgesproken, opnieuw in de negatieve belangstelling kunnen komen te staan van de Turkse overheid. [23] De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten. [24] Ook Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan. [25]
16.3.
Ook volgt uit de landeninformatie dat bij de vervolging van (vermeende) Gülenisten sprake is van willekeur. Human Rights Watch noemt de vervolging “extreem willekeurig en onvoorspelbaar” en vermoedt dat deze het gevolg is van niveauverschillen bij de politie en veiligheidsdiensten op lokaal niveau [26] . Door de Finse immigratiedienst gesproken bronnen bevestigen de willekeur [27] . Ook een voor het Algemeen Ambtsbericht over Turkije (hierna: Algemeen Ambtsbericht) gesproken vertrouwelijke bron bevestigt de willekeur in vervolging [28] .
16.4.
Dat eiser, zoals de minister heeft betoogd, in 2022 een sepot heeft gekregen en daarom nu niet te vrezen heeft voor vervolging, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Gelet op de landeninformatie hoeft dit immers niet te betekenen dat de sepotbeslissing een weloverwogen, inhoudelijk goed doordachte, consistente keuze is geweest. Daarnaast is onbekend over welk bewijsmateriaal het Turkse Openbaar Ministerie in 2022 beschikte en heeft het Turkse Openbaar Ministerie in ieder geval aanleiding gezien om eiser opnieuw te betrekken in een strafrechtelijk proces over een misdrijf dat valt binnen de context van een terroristische organisatie. Zoals in de sepotbrief destijds al was aangegeven, kon het Turkse Openbaar Ministerie ook overgaan tot een nieuwe strafzaak als er nieuw bewijs boven tafel zou komen. Dat is nu kennelijk het geval. Gelet op de vele door eiser ontplooide activiteiten in Turkije, is dat scenario ook niet verwonderlijk te noemen.
16.5.
De rechtbank betrekt bij zijn beoordeling voorts ook informatie over personen in de omgeving van eiser. In de notitie [29] van het UNHCR [30] over de bewijsstandaard in asielaanvragen staat immers dat bij de beoordeling of er sprake is van een vervolging, naast het feit dat iemand eerder is vervolgd, ook de achtergrond van de vreemdeling betrokken dient te worden bij de beoordeling of er sprake is van vervolging. Dat geldt eveneens voor ervaringen van vrienden, wat personen die in dezelfde situatie als de vreemdeling zitten is overkomen en de algehele omstandigheden van het land van herkomst. Zo is tegen twee vrienden van eiser door de Turkse autoriteiten een strafrechtelijk onderzoek gestart in verband met hun activiteiten voor de [stichting] . Eiser geeft aan dezelfde activiteiten te verrichten voor deze stichting. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülenbeweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf. [31]
16.6.
Verder zijn in Turkije inmiddels zeventien personen veroordeeld voor onder andere lidmaatschap van de vakbond [naam] . Eiser heeft deze vakbond opgericht. Tot slot wordt ook eisers jongere broer vervolgd voor deelname aan de terroristische organisatie FETÖ.
17. Dat eiser, zoals de minister hem bij de beoordeling van de zwaarwegendheid nog heeft tegengeworpen, legaal heeft kunnen uitreizen, maakt het voorgaande niet anders. Uit het Algemeen Ambtsbericht over Turkije volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn. [32] Bovendien ligt de uitreis in het verleden en is er een nieuw aanhoudingsbevel tegen eiser uitgevaardigd, hetgeen de huidige negatieve belangstelling voor eiser juist onderbouwt.
18. Gelet op de landeninformatie, het feit dat eiser eerder langdurig onder een rechtstreekse en reële bedreiging van een vervolging heeft geleefd, er momenteel een nieuw strafrechtelijk onderzoek naar hem loopt, eiser meer dan voldoende activiteiten heeft verricht die in verband zijn te brengen met het Gülenisme en eiser daar ook op veroordeeld kan worden alsook de negatieve belangstelling die eisers directe omgeving ten deel is gevallen, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een (in dit geval overigens meer dan) redelijke mate van waarschijnlijkheid dat eiser bij terugkeer naar Turkije strafrechtelijk vervolgd zal worden inzake (vermeend) Gülenisme. Eiser heeft derhalve een gegronde vrees voor vervolging. Om die reden dient aan eiser een asielvergunning als vluchteling te worden verleend.
19. De rechtbank merkt tot slot op dat eiser ook beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülenaanhangers en dat deze beleidswijziging volgens hem geen stand kan houden. De rechtbank merkt ten overvloede op dat zij over deze beleidswijziging een uitspraak heeft gedaan in een andere zaak van diezelfde zittingsdatum. [33] In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de beleidswijziging geen stand kan houden. Gelet op deze uitspraak was het beroep ook om deze reden gegrond gegaan. Deze beroepsgrond behoeft naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande evenwel geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

20. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 18 van Pro het Handvest [34] alsook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser, stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
21. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. [35]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • verwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Fethullah Gülen Terroristische Organisatie.
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.
4.Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.
5.Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.
6.Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.
7.Zie het arrest van het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.
8.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.
9.Arrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.
10.Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.
11.Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.
12.Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.
13.Zie artikel 41.
15.Daniştay Beşıncı Daıre, vergelijkbaar met de Raad van State.
16.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
17.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, r.o. 3.1.
18.Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
19.Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
20.‘to dispel any doubts’, EHRM o.a. de uitspraak van 9 maart 2010, R.C. tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:2010:0309JUD004182707.
21.Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 46 en Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 1.
22.Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49. Alsook de uitspraak van deze rechtbank van 1 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14790, r.o. 9 t/m 12
23.Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.
24.Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 11 en 12.
25.Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.
26.Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 8
27.Idem.
28.Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 50.
29.UNHCR, ‘Note on Burden and Standard of Proof in Refugee Claims’, 16 december 1998, punten 18 en 19.
30.United Nations High Commissioner for Refugees.
31.Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 53.
32.Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverweging 6.1.
34.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
35.De rechtbank kent een waarde toe van €934.- per punt met wegingsfactor 1.