ECLI:NL:RBDHA:2026:2128

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.54295
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 20 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Kroatië

Eiser, een Iraakse asielzoeker, diende op 1 juni 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland verzocht Kroatië om hem terug te nemen op grond van de Dublinverordening, welke Kroatië accepteerde. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser voerde aan dat Kroatië niet veilig is vanwege discriminatie, onvoldoende opvang en risico op vervolging, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt. Hij onderbouwde dit met persoonlijke ervaringen, een foto van letsel en omstandigheden van detentie en uitzetting.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een met artikel 4 Handvest Pro en artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling in Kroatië. De persoonlijke omstandigheden betreffen illegale verblijfssituaties en zijn niet vergelijkbaar met de situatie als Dublinclaimant. Ook de vrees voor indirect refoulement is niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank handhaaft het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter G.A. Bouter-Rijksen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54295

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verhaag)

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.54296) stonden aanvankelijk gepland op de zitting van 23 december 2025. De gemachtigde van eiser heeft in verband met persoonlijke omstandigheden om aanhouding verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.54296), op 8 januari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen. Eiser is zonder kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorlopige voorziening is toegewezen. Het bestreden besluit is geschorst tot op het beroep is beslist.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 1 juni 2025 ingediend.
1.1.
Op 10 juli 2025 heeft Nederland aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening)
.Kroatië heeft dit verzoek op 18 juli 2025 aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat Kroatië in zijn specifieke geval niet aan te merken is als een veilige plek en dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Eiser heeft namelijk te vrezen voor vervolging en kan daarom geen hulp of bescherming van de Kroatische overheid of politie inroepen. Niet alleen is er sprake van discriminatie, daarnaast blijkt de Kroatische overheid niet bereid te zijn om aan de Dublinverordening of de Opvangrichtlijn te voldoen. Opvangmogelijkheden zijn in Kroatië ver onder de maat van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Dat eiser de behandeling van zijn asielaanvraag in Kroatië niet heeft afgewacht is een extra onderbouwing van het feit dat het niet langer veilig was om in Kroatië te blijven. Eiser heeft ter onderbouwing nog een foto overgelegd van letsel dat hij heeft opgelopen toen hij in Kroatië vastzat. Eiser is bijzonder kwetsbaar en het is niet gebleken dat Kroatië voldoende hulp en begeleiding aan hem kan bieden. Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij (behalve de gevangenis) niet is toegelaten tot de opvang, dat hij een inreisverbod van twee jaar opgelegd heeft gekregen en dat hij het land binnen 12 uur na vrijlating moest verlaten. In geval van overdracht heeft eiser te vrezen voor indirect refoulement.
Beoordeling van het beroep
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 6 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:919) en op 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3901) geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Dublinclaimanten in Kroatië nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4.1.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat het beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet ziet op de algemene situatie in Kroatië, maar ziet op de persoonlijke ervaringen en situatie van eiser. De rechtbank beperkt haar beoordeling dan ook tot die persoonlijke omstandigheden van eiser.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn verklaringen over wat hij zelf in Kroatië heeft meegemaakt niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. De gestelde omstandigheden van eiser, dat hij geen opvang kreeg behalve detentie en dat hij het land uit moest, hebben plaatsgevonden toen hij illegaal Kroatië was ingereisd. Eiser zal echter terugkeren als Dublinclaimant. Eiser heeft niet met documenten of verklaringen aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant in Kroatië in een ondermaatse opvangsituatie zal terechtkomen. Ook heeft eiser de vrees voor vervolging of discriminatie op geen enkele wijze onderbouwd. Uit de door eiser overlegde foto van letsel in zijn gezicht is niet op te maken dat eiser dit letsel daadwerkelijk heeft opgelopen in de Kroatische opvang. Ook volgt dit niet uit de verklaringen die hij in de gehoren heeft afgelegd. De enkele stelling dat eiser een inreisverbod voor Kroatië heeft gekregen voor de duur van twee jaar en dat eiser Kroatië na vrijlating binnen 12 uur moest verlaten, zonder nadere toelichting of onderbouwing, maken niet dat in eisers geval ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Verder heeft Kroatië met het claimakkoord van 18 juli 2025 gegarandeerd eisers (opvolgende) asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft Kroatië verlaten zonder te klagen bij de autoriteiten. Niet gebleken is dat de autoriteiten van Kroatië hem niet zouden kunnen of willen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.
4.3.
Eiser heeft niet met documenten aannemelijk gemaakt dat hij (bijzonder) kwetsbaar is. De gemachtigde van eiser heeft op zitting toegelicht dat zij uit eigen contact met eiser en uit contact met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opmaakt dat eiser achterdochtig is, dingen niet snapt en psychische klachten heeft. Dit is voor de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat eiser kwetsbaar is. Medische stukken die de ervaring en indruk van eisers gemachtigde onderbouwen ontbreken. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er ook van worden uitgegaan dat er indien nodig medische voorzieningen beschikbaar zijn in Kroatië. De beroepsgrond slaagt niet.
Indirect refoulement
5. Nog daargelaten dat de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, heeft geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, overweegt de rechtbank dat er in het geval van eiser geen grond bestaat voor het oordeel dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op indirect refoulement. Eiser heeft zijn gestelde vrees voor indirect refoulement namelijk op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, hoewel dit wel op zijn weg ligt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.