ECLI:NL:RBDHA:2026:21311

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26,6854
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 4:2 AwbArt. 15 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Syrië wegens ongeloofwaardigheid zakelijk conflict en veiligheidssituatie

Eiser, van Syrische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij vanwege een zakelijk conflict met een persoon genaamd [naam 2] en de algemene veiligheidssituatie in Syrië gevaar loopt. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de gestelde problemen en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer.

De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de minister terecht de geloofwaardigheid van het zakelijk conflict met [naam 2] in twijfel trok, omdat de verklaringen niet met documenten waren onderbouwd en gebaseerd waren op aannames en niet-objectieve derden. Ook werd het tijdsverloop en de aard van de incidenten niet aannemelijk geacht.

Ten aanzien van de algemene veiligheidssituatie in Syrië, en specifiek in Aleppo, concludeerde de rechtbank dat de minister voldoende had gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, mede op basis van recente ambtsberichten en landeninformatie. Humanitaire omstandigheden werden slechts relevant geacht indien direct gerelateerd aan het gewapend conflict, wat hier niet het geval was.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter R. Tesfai en griffier P.C.J. Lindeijer op 30 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid en relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6854

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,geboren op [geboortedatum] ,van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.M. Suurmeijer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door een tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een zakelijk conflict zou hebben gehad met [naam 2] en dat er naar aanleiding hiervan een juridische procedure is gevoerd. Daarna is [naam 2] door een oud-werknemer van eiser aangehouden en mishandeld. Eiser zou vervolgens hebben gezegd dat ze [naam 2] konden vrijlaten. Eiser heeft van zijn vader gehoord dat [naam 2] naar hem op zoek is. [naam 2] zou eiser ervan beschuldigen dat hij steun gaf aan het oude regime. [naam 2] is met medestanders bij eisers vader langs geweest en zij hebben eveneens de bovenbuurman van eiser bezocht. Eiser vreest dat [naam 2] hem iets zal aandoen als hij terugkeert naar Syrië. Ook vreest eiser voor de algemene veiligheidssituatie in het land.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • De problemen met [naam 2] .
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen met [naam 2] vindt de minister niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft eiser niet onderbouwd waaruit blijkt dat [naam 2] voor de huidige overheid werkt en zijn eisers gestelde problemen gebaseerd op aannames, vermoedens en verklaringen van niet-objectieve derden. Daarnaast ziet de minister niet in dat [naam 2] na een periode van 10 jaar wraak op eiser zou willen nemen. De minister ziet ook niet in dat [naam 2] steeds enkele maanden zou wachten om eisers familie dan wel de buurman te benaderen. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft de aanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond.
De toets door de rechtbank
5. Uit de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quotal [2] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom vol.
Standpunten eiser
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte zijn problemen met [naam 2] niet geloofwaardig acht. Zo kan hem niet verweten worden dat hij zijn relaas niet met documenten heeft onderbouwd, omdat [naam 2] zijn bedreigingen alleen mondeling heeft geuit. Hiervan zijn geen stukken over te leggen. Dat de problemen al meer dan een jaar geleden zijn begonnen, maakt dat niet anders. Daarnaast heeft eiser onderbouwd verklaard dat [naam 2] zich heeft aangesloten van Jabhat Al Ousra, een groepering die nu deel uitmaakt van het Syrische regime. Er is geen enkele aanwijzing dat [naam 2] zich van deze groep heeft afgekeerd. Dat een formele overheidsstructuur binnen de overheid ontbrak is evengoed een argument voor eisers stelling dat [naam 2] wel voor het huidige regime werkt. Door te stellen dat het aan eiser is om zijn gestelde problemen aan te tonen en te onderbouwen legt de minister eiser een te zware bewijslast op. Eiser hoeft ze slechts aannemelijk te maken. Artikel 4:2 van Pro de Awb [3] legt de grens bij wat redelijkerwijs van eiser gevergd kan worden. Eiser heeft ook uitgelegd waarom hij zelf geen problemen met [naam 2] heeft gehad, namelijk omdat hij in oktober 2014 uit Syrië is vertrokken. Daarnaast was er een oorlog, was [naam 2] in deze periode niet aan de macht en het is dan ook aannemelijk dat [naam 2] heeft gewacht tot hij tot de machthebbers behoorde. Ook wordt eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij niet duidelijk heeft gemaakt op welke wijze de oorlog en het feit dat de organisatie van [naam 2] nog niet aan de macht was het tijdsverloop verklaart. Het feit dat de situatie in Syrië tijdens de oorlog erg onveilig was, eiser in die tijd in Turkije verbleef, [naam 2] andere prioriteiten had dan wraak nemen op eiser en nog niet de machtspositie had die hij nu wel heeft, maakt dat [naam 2] pas na de machtswisseling is begonnen met wraak te nemen op eiser. De stelling van de minister dat [naam 2] , als hij wraak wilde, eiser en/of zijn familie eerder had benaderd is onvoldoende gemotiveerd en speculatief. Toen [naam 2] na de machtswisseling in staat was om wraak te nemen heeft hij dat binnen 20 dagen gedaan. Eiser heeft verder op zitting aangevoerd dat hij drie dagen geleden heeft vernomen dat zijn vader is aangehouden. Hij heeft echter geen documenten ter onderbouwing hiervan.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser gestelde problemen met [naam 2] terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank stelt vast dat eiser niet is tegengeworpen dat hij zijn asielmotief niet met documenten heeft onderbouwd. Wel zijn eisers verklaringen beoordeeld op de geloofwaardigheid omdat het relaas niet is onderbouwd met documenten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in dit kader terecht overwogen dat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling dat [naam 2] werkt voor de huidige overheid. Hierbij heeft de minister terecht betrokken dat eisers verklaring dat [naam 2] zich heeft aangesloten bij Yabhat al-Nusra gebaseerd is op de verklaring van een niet-objectieve derde. Daarbij weet eiser verder niets te verklaren over de functie van [naam 2] . Ook de verklaring dat eisers vader [naam 2] heeft gezien met een wapen in een pick-up truck en dat de buurman werd aangesproken door een man in een pick-up truck en het signalement van deze man overeenkwam met dat van [naam 2] , is hiervoor onvoldoende. Uit het voorgaande volgt immers niet het verband met de overheid. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat een formele overheidsstructuur ontbrak tijdens de eerste twee door eiser gestelde incidenten, zodat hierdoor evenmin aannemelijk wordt dat [naam 2] voor de overheid werkt. De minister heeft daarnaast terecht overwogen dat niet in te zien valt dat [naam 2] na 10 jaar wraak zou willen nemen op eiser. In dit kader is allereerst terecht overwogen dat het gegeven dat [naam 2] eiser verantwoordelijk zou houden voor de aanhouding berust op een aanname. Uit eisers verklaringen blijkt namelijk dat [naam 2] in de problemen was gekomen door een oud-werknemer van eiser en dat eiser niet betrokken was bij deze gebeurtenis. Bovendien heeft eiser gezegd dat [naam 2] kon worden vrijgelaten, zodat niet in te zien valt dat [naam 2] eiser verantwoordelijk zou houden en wraak zou willen nemen. Dat eiser in 2014 is vertrokken uit Syrië en dat [naam 2] tijdens de oorlog niet aan de macht was en de situatie onveilig was, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft immers verklaard dat [naam 2] onderdeel zou zijn van Jabhat al-Nusra, zodat niet in te zien valt dat [naam 2] zijn banden/connecties niet zou gebruiken om eiser of zijn familieleden te benaderen, hetgeen door de minister voldoende is gemotiveerd in het bestreden besluit. Dat [naam 2] 20 dagen na de machtswisseling wraak zou hebben willen nemen, leidt evenmin tot een ander oordeel. In dit kader is terecht van belang geacht dat niet in te zien valt dat er ruime periodes van enkele maanden zitten tussen de verschillende door eiser gestelde incidenten, te meer nu [naam 2] volgens eiser wraak wilde nemen en hij niet geloofde dat eiser in het buitenland zat. De rechtbank ziet in de niet onderbouwde stelling van eiser op zitting geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank volgt eiser tot slot niet in zijn stelling dat de minister een te zware bewijslast heeft gehanteerd. De rechterbank stelt vast dat in de besluitvorming weliswaar enkele malen is opgenomen dat eiser bepaalde zaken niet zou hebben onderbouwd, maar naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de motivering van het bestreden besluit voldoende dat is beoordeeld of de verklaringen een samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Algemene veiligheidssituatie
7. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 29 december 2025 [4] , zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025 [5] en zittingsplaats Den Bosch van 11 december 2025 [6] bestrijdt eiser de stelling van de minister dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarnaast beroept hij zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 4 februari 2026 [7] waarin is geoordeeld dat de verwijzing van de minister naar het EUAA [8] -rapport van december 2025 onvoldoende is om van het oordeel van de meervoudige kamer van die zittingsplaats van 11 december 2025 af te wijken. Ook verwijst eiser naar landeninformatie van VWN [9] van 4 februari 2026 waaruit eveneens volgt dat de veiligheidssituatie in Syrië niet zo goed is als de minister wil doen voorkomen. Eiser verwijst tevens naar landeninformatie van VWN van 1 mei 2026 waaruit volgt dat er veel geweldsincidenten met burgerslachtoffers hebben plaatsgevonden. Ook wordt melding gemaakt van overgebleven landmijnen en explosieven. Eiser stelt tot slot dat de minister de humanitaire omstandigheden ten onrechte niet kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling.
7.1.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. [10] De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ook in de zaak van eiser voldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo. De minister heeft hierbij het aantal geweldsuitbarstingen en gevechten en het aantal burgerslachtoffers betrokken. Hierbij is eveneens betrokken dat uit het ambtsbericht volgt dat er veelal sprake was van gericht geweld. Uit het recente Algemeen Ambtsbericht van Syrië van januari 2026 blijkt bovendien dat het aantal geweldsincidenten flink is gedaald. Ook het aantal burgerdoden is eind 2025 afgenomen in vergelijking met het begin van dat jaar. De door eiser overgelegde brieven van VWN van 4 februari 2026 en 1 mei 2026 geven naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat niet langer van een relatief lager niveau van willekeurig geweld mag worden uitgegaan. Daarbij is van belang dat ook uit de informatie van VWN volgt dat de veiligheidssituatie in het gouvernement Aleppo is verbeterd en het aantal veiligheidsincidenten gestaag afneemt. [11] Hoewel het totale aantal veiligheidsincidenten het hoogste is van alle provincies, is het gemiddelde aantal burgerslachtoffers per 100.000 inwoners relatief laag vanwege de grote bevolking van de provincie en is het aantal slachtoffers sinds maart 2025 sterk gedaald. Dat begin 2026 opnieuw gevechten hebben plaatsgevonden in Aleppo, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 volgt dat zich weliswaar nog steeds geweldincidenten en gevechten voordoen, maar ook dat in vergelijking met de voorgaande verslagperiode een daling te zien is van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Aleppo. [12] De minister heeft hierin terecht geen aanleiding gezien om niet langer uit te gaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo.
7.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het Algemeen Ambtsbericht van Syrië van mei 2025 blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. De rechtbank ziet in het algemeen ambtsbericht van Syrië van januari 2026 geen aanleiding voor een ander oordeel. Hoewel humanitaire omstandigheden in zijn algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling, spelen de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat de motivering van de minister op dit punt voldoende deugdelijk is en acht deze in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.ECLI:EU:C:2026:448 en ECLI:EU:C:2026:447.
3.Algemene wet bestuursrecht.
8.European Union Agency for Asylum.
9.VluchtelingenWerk Nederland.
10.Zie de uitspraak van 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
11.VWN – Brief Landeninformatie Syrië – Veiligheidssituatie provincie Aleppo van 1 mei 2026, p. 5.
12.Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026, p. 74 en 75.