ECLI:NL:RBDHA:2026:21408

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
NL26.14192
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 1 Vw 2000Art. 30b lid 1 onder c Vw 2000Art. 8 EVRMArt. 3:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende motivering misleiding

Eiseres, samen met haar minderjarige dochters, diende een opvolgende asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen wegens vermeende misleiding over identiteit, nationaliteit en herkomst. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van misleiding, mede omdat de overgelegde documenten echt zijn bevonden en de taalanalyse slechts ondersteunend is.

De rechtbank stelt vast dat de minister terecht twijfels had over de identiteit en herkomst van eiseres, mede op basis van inconsistenties en de taalanalyse, maar dat dit niet automatisch leidt tot een oordeel van misleiding. De minister heeft ook de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro gemaakt en de rechtsgevolgen van afwijzing en weigering verblijfsvergunning mogen handhaven.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van afwijzing en weigering verblijfsvergunning in stand. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onvoldoende bewijs van misleiding, maar de rechtsgevolgen van afwijzing en weigering verblijfsvergunning blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14192

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 6] , eiseres,

gesteld geboren op [datum 6] ,
mede namens haar minderjarige dochters,
[naam 1],
geboren op [datum 1] ,
[naam 2],
geboren op [datum 2] ,
[naam 3],
geboren op [datum 4] ,
allen van gestelde Somalische nationaliteit,
V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] ,
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. [1] Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is maar dat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. De afwijzing van de asielaanvraag en de weigering om een verblijfsvergunning te verlenen levert geen strijdt op met het recht van de dochters op privéleven in Nederland. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft, mede namens haar minderjarige dochters, op 30 juli 2021 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 3 december 2024 deze aanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres de minister zou hebben misleid. Daarbij is aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd voor Tanzania of Kenia en een inreisverbod voor de duur van twee jaren. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 februari 2025 heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingediende beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 december 2024 vernietigd en de minister opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. [2]
3. De minister heeft eiseres naar aanleiding van de hiervoor genoemde uitspraak op 19 september 2025 aanvullend gehoord en nieuwe taalanalyse laten uitvoeren. Op
10 oktober 2025 heeft de minister een nieuw voornemen uitgebracht. Op 21 november 2025 heeft eiseres een zienswijze ingediend. De minister heeft op 19 februari 2026 een aanvullend voornemen uitgebracht dat gaat over de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiseres heeft hierop op 4 maart 2026 met een zienswijze gereageerd.
4. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 maart 2026 de opvolgende asielaanvraag van eiseres in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is bepaald dat eiseres en haar kinderen niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier, zij geen uitstel van vertrek om medische redenen krijgen en dat zij Nederland onmiddellijk dienen te verlaten en moeten terugkeren naar Somalië, Kenia of Tanzania. Tot slot is aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Dit inreisverbod geldt niet voor de minderjarige kinderen van eiseres.
4.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [3] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De dochters van eiseres waren niet aanwezig. Op het verzoek om een voorlopige voorziening zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
5. Eiseres legt aan haar opvolgende asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Zij is op [datum 5] geboren in [land] , een eiland dat deel uitmaakt van de Bajuni-eilandenarchipel in het zuiden van Somalië. Eiseres heeft hier tot haar zevende of
achtste levensjaar gewoond en is vervolgens naar [land] verhuisd. Op haar veertiende of
vijftiende is eiseres weer teruggekeerd naar [land] . In 2012 is eiseres vanuit [land] , via
Jemen naar België gevlucht. De aanleiding hiervoor was dat de vader van eiseres haar wilde uithuwelijken aan een oudere man die een hoge functie of belangrijke rol vervulde bij
Al-Shabaab. Ook werd eiseres gedwongen om voor de tweede keer besneden te worden. Eiseres vreest dat zij bij terugkeer bestraft zal worden door Al-Shabaab. Daarnaast vreest eiseres dat zij en haar dochters bij terugkeer (opnieuw) besneden zullen worden.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
2. De uithuwelijking aan een Al-Shabaab lid;
3. De gedwongen tweede besnijdenis van eiseres.
6.1.
De ministers acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres niet geloofwaardig, en omdat een asielrelaas slechts van betekenis is tegen de achtergrond van iemands identiteit, nationaliteit en herkomst, heeft de minister de overige asielmotieven niet inhoudelijk beoordeeld. Verder heeft de minister overwogen dat eiseres en haar dochters dienen terug te keren naar Somalië, Kenia of Tanzania. Het is niet aannemelijk gemaakt dat de dochters van eiseres bij terugkeer besneden zullen worden, omdat besnijdenis in Zanzibar in Tanzania (de plaats waar de echtgenoot van eiseres en de vader van de dochters vandaan komt) niet gebruikelijk is. Minder dan 1% van de meisjes en vrouwen op Zanzibar is besneden en besnijdenis is bovendien strafbaar in Tanzania. De minister concludeert verder dat eiseres hem heeft misleid, omdat eiseres onjuiste/valse informatie heeft verstrekt over haar identiteit, nationaliteit en herkomst. De asielaanvraag is volgens de minister dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Verder heeft de minister overwogen dat -hoewel wordt aangenomen dat de dochters van eiseres privéleven hebben opgebouwd in Nederland- de belangafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [4] in hun nadeel uitvalt.
Heeft de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres niet geloofwaardig kunnen achten?
7. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte haar identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig acht. In dit verband heeft eiseres erop gewezen dat zij een echt bevonden geboorteakte en een echt bevonden identiteitsverklaring heeft overgelegd en dat de minister ten onrechte (doorslaggevende) waarde hecht aan de door TOELT uitgevoerde taalanalyse. Volgens eiseres heeft de minister ten onrechte de taalanalyse als middel voor herkomstonderzoek gebruikt. Gelet op haar levensloop, is een taalanalyse hiervoor geen geschikt middel. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres verwezen naar een expert-opinion van [naam 5] en haar reacties op het weerwoord van TOELT.
7.1.
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat het aan eiseres is om haar gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken en niet aan de minister is om het tegendeel aannemelijk te maken. [5] Eiseres heeft ter onderbouwing van haar identiteit en nationaliteit een originele geboorteakte en een originele identiteitsbevestiging overgelegd. Deze beide documenten zijn door Bureau Documenten echt bevonden. Daarnaast heeft eiseres een kopie van een geboorteakte overgelegd. De echt bevonden geboorteakte en identiteitsverklaring zijn in beginsel voldoende om de gestelde identiteit en/of nationaliteit te onderbouwen. Dit kan echter anders zijn als er redenen zijn om te twijfelen aan de inhoud of de verkrijging van die documenten. Dit volgt ook uit WI [6] 2022/4.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, voldoende gemotiveerd overwogen dat en waarom er twijfel bestaat aan de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst en waarom dus sprake is van een situatie als bedoeld in WI 2022/4. In dit verband heeft de minister er terecht op gewezen dat uit openbare informatie volgt dat veel wordt gefraudeerd met Somalische documenten, en dat documenten te koop zijn en met behulp van ‘fixers’ kunnen worden geregeld. [7] In dit verband heeft de minister eiseres ook terecht tegengeworpen dat eiseres wisselend heeft verklaard over hoe haar oom in het bezit is gekomen van deze documenten en dat eiseres geen bevredigende verklaringen heeft kunnen geven voor de verschillen tussen de kopie geboorteakte en de originele geboorteakte, en dat zij evenmin een bevredigende verklaring heeft kunnen geven voor de evidente onjuistheden in de beide geboorteakten, zoals de geboorteplaats en woonplaats van eiseres. Ook heeft de minister in het kader van de verdenking dat de geboorteakte frauduleus is verkregen kunnen wijzen op de verklaring van eiseres dat haar oom ook zou hebben aangegeven een geboorteakte te kunnen geven die “meer op het origineel” lijkt. Verder heeft de minister terecht overwogen dat eiseres wisselend heeft verklaard over haar levensloop. In dit verband heeft de minister er terecht op gewezen dat eiseres in België, in de asielaanvraag die zij daar heeft gedaan, nooit heeft verklaard over haar langdurige verblijf in Kenia.
7.3.
Verder heeft de minister, omdat bij hem twijfel was ontstaan over de gestelde herkomst van eiseres, een taalanalyse laten uitvoeren. [8] Met het aanbieden van een taalanalyse is de minister tegemoetgekomen in de op eiseres rustende last om de door haar gestelde herkomst aannemelijk te maken. [9] Omdat de eerste taalanalyse naar het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats [10] niet aan de afwijzing ten grondslag mocht worden gelegd, heeft de minister een twee taalanalyse laten uitvoeren. In deze tweede taalanalyse van
3 oktober 2025 komt TOELT (opnieuw) tot de conclusie dat eiseres eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap van Zuid-Somalië.
7.4.
Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [11] volgt dat een advies van TOELT een deskundigenadvies is aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. De minister mag op het advies van TOELT afgaan, nadat hij is nagegaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb [12] voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. [13] Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de deskundigheid, de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd. [14]
7.5.
Niet in geschil is dat eiseres geen contra-expertise heeft overgelegd. Wel heeft eiseres een expert-opinion overgelegd van [naam 5] . Aan de hand van deze informatie betoogt eiseres dat een taalanalyse in het kader van herkomstonderzoek, gelet op de levensloop van eiseres, geen geschikt middel is. De expert-opinion van [naam 5] over het gebruik van een taalanalyse in het kader van herkomstonderzoek, heeft de minister doorgezonden aan TOELT. TOELT heeft hierop gereageerd.
7.6.
De rechtbank oordeelt dat de taalanalyse op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, het in de voorgaande procedure door deze rechtbank geconstateerde gebrek zich niet mee voor doet, de redenering begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. De rechtbank is van oordeel dat dit ook geldt voor de reactie van TOELT op het door [naam 5] gegeven commentaar op de geschiktheid van een taalanalyse als onderzoeksmethode. Naar het oordeel van de rechtbank kan het commentaar van [naam 5] niet afdoen aan de bevindingen van TOELT. De rechtbank neemt in dit verband ook in aanmerking dat [naam 5] weliswaar aandacht besteedt aan het fenomeen taalverlies, maar dat zij niet ingaat op de mogelijkheid van het herleven van taalkennis. Deze vraag acht de rechtbank wel van belang nu eiseres zelf stelt na langdurig verblijf in Kenia voor enkele jaren te zijn teruggekeerd naar [land] . Uit het rapport taalanalyse blijkt dat op de Bajuni eilanden alleen Bajuni en Somalisch gesproken wordt. Dat eiseres zich aldaar staande zou hebben gehouden zonder actieve kennis van het Bajuni en het Somalisch, acht de rechtbank niet waarschijnlijk. Gelet hierop, kan het beoog van eiseres dat bij haar sprake is van taalverlies en dat het dus logisch is dat zij geen Bajuni spreekt, niet slagen.
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende gemotiveerd heeft dat en waarom eiseres haar identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt.
Heeft de minister een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt?
9. Eiseres voert aan dat de minister geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht en dat dit in strijd is met de Kwalificatierichtlijn. Ter onderbouwing van haar stelling heeft eiseres erop gewezen dat de minister het tweede en derde asielmotief niet inhoudelijk heeft beoordeeld, omdat hij het eerste asielmotief van eiseres niet geloofwaardig acht. In dit verband heeft eiseres een beroep gedaan op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 augustus 2025. [15]
9.1.
De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat een asielmotief slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling en dat een verdere beoordeling van het asielrelaas niet kan worden verricht wanneer de vreemdeling deze elementen niet aannemelijk heeft gemaakt. [16] Nu de minister, gelet op het voorgaande, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft de minister terecht overwogen dat het tweede en derde asielmotief niet kan worden getoetst. De stelling dat een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling niet is verricht en dat de minister aldus in strijd met de richtlijn [17] heeft gehandeld, slaag niet.
Heeft de minister terecht overwogen dat de dochters van eiseres geen reëel risico lopen op besnijdenis bij terugkeer naar Zanzibar?
10. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat de minister er terecht op heeft gewezen dat uit openbare informatie blijkt dat besnijdenis
op Zanzibar niet gebruikelijk is nu minder dan 1% van de vrouwen op het eiland is besneden. Met de enkele stelling dat van de zijde van de familie van de vader dochters wel worden besneden, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt waarom haar dochters bij terugkeer ook besneden zullen worden. Waarom eiseres en haar partner de druk die volgens hen door de familie zal worden uitgeoefend niet blijvend zouden kunnen weerstaan, is verder niet toegelicht of geconcretiseerd. De verwijzing naar de rapportages van onder meer UNICEF en UNFPA leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van misleiding en heeft hij om die reden de aanvraag als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen?
11. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende. Om te spreken van misleiding moet sprake zijn van een weloverwogen keuze van de vreemdeling om valse dan wel onjuiste informatie te verstrekken. Daarvan is in dit geval geen sprake. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de minister aan zijn standpunt dat sprake is van misleiding ten grondslag heeft gelegd dat eiseres de minister heeft misleid over haar nationaliteit. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar identiteit en nationaliteit een originele geboorteakte en een originele identiteitsverklaring overgelegd, die na onderzoek echt zijn bevonden. Dat de minister aan deze documenten geen waarde hecht, omdat uit openbare bronnen blijkt dat veel wordt gefraudeerd met Somalische documenten, en dat documenten te koop zijn en met behulp van ‘fixers’ kunnen worden geregeld, betekent niet zonder meer dat in het geval van eiseres sprake is van misleiding. Niet kan worden vastgesteld dat de door eiseres overgelegde documenten ook daadwerkelijk frauduleus zijn verkregen en dat eiseres een weloverwogen keuze heeft gemaakt de minister valse of onjuiste informatie te verstrekken. Daarvoor is meer nodig. Aan de uitkomst van de door TOELT verrichte taalanalyse komt in dit geval ook geen doorslaggevende waarde toe, omdat een taalanalyse slechts een middel is dat kan worden gebruikt in het kader van herkomst onderzoek. Een taalanalyse zegt op zichzelf genomen nog niets iets over de nationaliteit van een vreemdeling. Een dergelijk onderzoek kan daarbij mogelijk wel ondersteunend zijn. Dat op basis van het voorgaande kan worden getwijfeld aan de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres, betekent dit niet dat daarmee ook sprake is van misleiding over de nationaliteit. De motivering van de minister volstaat daartoe niet. De beroepsgrond slaagt. De minister heeft de aanvraag van eiseres ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen.
Heeft de minister de belangenafweging in het kader van privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM in het nadeel van de dochters van eiseres kunnen laten uitvallen?
12. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. Uit vaste rechtspraak van het EHRM [18] volgt dat de minister een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van een vreemdeling bij voortzetting van privéleven in Nederland en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid. [19] De minister moet alle voor de belangenafweging relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling betrekken. Daarbij is een belangrijke overweging of een vreemdeling zijn privéleven in Nederland opbouwt, terwijl die vreemdeling zich ervan bewust is dat zijn verblijfsstatus maakt dat de voortzetting van zijn privéleven vanaf het begin onzeker is. [20] Als dat het geval is, dan leidt afwijzing van een aanvraag van die vreemdeling om aan hem verblijf toe te staan alleen in uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 8 van Pro het EVRM.
12.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister alle van betekenis zijnde relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken. De minister heeft alles wat in de aanvullende zienswijze is aangevoerd, en de brief van de dochters van 9 januari 2026, kenbaar bij zijn belangenafweging betrokken. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister de stukken die eiseres pas in beroep heeft overgelegd niet bij zijn besluitvorming heeft kunnen betrekken. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat en waarom deze stukken niet kunnen leiden tot een andere afweging.
12.2.
De minister heeft in het kader van de belangenafweging terecht als uitgangspunt genomen dat er in dit geval sprake moet zijn van uitzonderlijke omstandigheden om te kunnen concluderen dat op grond van artikel 8 van Pro het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven van de dochters. Niet in geschil is immers dat de dochters van eiseres in 2018 voor het eerst naar Nederland zijn gekomen, dat zij -samen met hun ouders- zijn uitgezet naar België en dat zij eind 2020 opnieuw naar Nederland zijn gekomen en hier opnieuw een asielaanvraag hebben ingediend. Omdat eiseres en haar gezin niet tijdig zijn overgedragen aan de Belgische autoriteiten, zijn zij in juli 2021 in de nationale procedure opgenomen. De dochters van eiseres hebben in Nederland nooit een verblijfsvergunning gehad en verblijven hier inmiddels ruim vijf jaren onafgebroken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister in zijn belangenafweging heeft kunnen aannemen dat de dochters van eiseres banden hebben met Nederland, maar dat ook kan worden aangenomen dat zij -mede gelet op de nationaliteit van hun vader- banden hebben met Tanzania. Verder heeft de minister terecht in zijn belangafweging meegewogen dat de dochters samen met hun vader en moeder zullen terugkeren. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat de BIC-rapportage niet tot een ander oordeel leidt, omdat daaruit niet volgt op welke wijze de dochters zouden worden geschaad in hun ontwikkeling en dat niet concreet is gemaakt waarom door de ouders bij terugkeer niet in de behoefte van de dochters zou kunnen worden voorzien. De verwijzing naar recente jurisprudentie van de Afdeling [21] , leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De feitelijke situatie -en dan met name duur van het verblijf van de kinderen in die zaken- wijkt in belangrijke mate af van de feiten in onderhavige zaak en bovendien hebben de uitspraken in die zaken -anders dan deze zaak- betrekking op een zogenaamde Pardonvergunning.
12.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister alles in samenhang bezien en afgewogen het algemeen belang van de Nederlandse staat bij het voeren van een restrictief migratiebeleid in dit geval zwaarder mocht laten wegen dan het belang van de dochters van eiseres bij het kunnen voortzetten en uitoefenen van het (recht op) privéleven in Nederland. Verweerder heeft een ‘fair balance’ gevonden tussen deze belangen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft de opvolgende aanvraag terecht afgewezen. Omdat de minister ten onrechte heeft overwogen dat eiseres de minister heeft misleid over haar nationaliteit, heeft de minister de aanvraag ten onrechte als ‘kennelijk’ afgedaan. Dit betekent dat ook het aan eiseres opgelegde inreisverbod geen stand kan houden. Gelet op het hiervoor onder 11 geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten voor zover die zien op het afwijzen van de opvolgende asielaanvraag en de weigering een reguliere verblijfsvergunning te verlenen.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit -voor zover die zien op de afwijzing van de asielaanvraag en de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier- in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.NL26.14193.
4.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
5.Zie artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:977.
6.Werkinstructie.
7.Algemeen ambtsbericht inzake Somalië van april 2025.
8.Voornemen 13 juni 2023, pagina 4.
10.Uitspraak van 7 februari 2025, NL24.49261.
11.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
12.Algemene wet bestuursrecht.
16.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
17.Kwalificatierichtlijn.
18.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
19.Arrest van 31 januari 2006, Rodrigues Da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, paragraaf 39.
20.Arrest van 28 juli 2020, Pormes tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2020:0728JUD002540214, paragrafen 57, 58 en 60.