ECLI:NL:RBDHA:2026:2161

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
25/6962
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8 WVWArt. 130 WVWArt. 131 WVWArt. 23 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening geschiktheidsonderzoek en ongeldigverklaring rijbewijs bevestigd

Eiser verzocht herziening van besluiten waarbij hem een geschiktheidsonderzoek werd opgelegd en zijn rijbewijs ongeldig werd verklaard vanwege een vermoeden van rijden onder invloed van drugs. Dit volgde op een politieproces-verbaal met een positieve speekseltest en gedragswaarnemingen, ondanks dat het strafrechtelijk onderzoek wegens bewijsproblemen werd geseponeerd.

De rechtbank oordeelt dat het strafrechtelijke sepot geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt die herziening rechtvaardigt. Het bestuursorgaan mag het oorspronkelijke besluit heroverwegen, maar kan afwijzen als er geen nieuwe feiten zijn die tot een ander besluit leiden. De speekseltest en gedragswaarnemingen in het proces-verbaal blijven voldoende voor het vermoeden.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter W.A. Timmer op 11 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot herziening wordt ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/6962

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.W.M. de Leest),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. Kleijbeuker).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van een verzoek tot herziening.
1.1.
Verweerder heeft het verzoek met het besluit van 7 april 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij deze afwijzing gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft bij besluit van 6 januari 2023 aan eiser een onderzoek naar zijn drugsgebruik (geschiktheidsonderzoek) opgelegd en zijn rijbewijs geschorst. Dit naar aanleiding van een melding van de politie van een vermoeden van rijden onder invloed van drugs. Eiser heeft niet (volledig) aan het onderzoek meegewerkt, waarna verweerder bij besluit van 4 september 2023 het rijbewijs van eiser ongeldig heeft verklaard. Eiser heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen ingesteld.
3. Eiser heeft op 24 maart 2025 verweerder verzocht om herziening van deze besluiten. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de tegen hem lopende strafzaak wegens rijden onder invloed is geseponeerd in verband met onvoldoende bewijs. De Officier van Justitie is daartoe overgegaan omdat uit het dossier niet kon worden herleid wanneer de bij hem afgenomen bloedmonsters bij het laboratorium zijn aangekomen en of deze verzegeld zijn ontvangen. Verder blijkt uit het dossier niet of eiser is geïnformeerd over de uitslag van het bloedonderzoek. Eiser wijst erop dat dit strikte waarborgen zijn.
4. Verweerder heeft het verzoek om herziening afgewezen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor het opleggen van een geschiktheidsonderzoek gaat om een vermoeden van rijden onder invloed, niet dat dit onomstotelijk vaststaat. De omstandigheid dat het bloedonderzoek strafrechtelijk niet kan worden meegenomen en dat eiser niet schriftelijk over de uitslag van het onderzoek is geïnformeerd, maakt niet dat er voor het aannemen van een vermoeden geen waarde kan worden gehecht aan de overige feiten en omstandigheden die worden genoemd in het proces-verbaal van de politie. Het sepot is daarom geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid (novum).
Wat zijn de regels?
5. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb [1] staat dat indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. In het tweede lid staat dat wanneer deze niet worden vermeld, het bestuursorgaan de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Het tweede lid kan overeenkomstig worden toegepast op een verzoek om terug te komen van een eerder besluit.
Artikel 8, eerste lid, van de WVW [2] bepaalt dat het een ieder verboden is een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
In artikel 8, vijfde lid, van de WVW staat dat het een ieder verboden is een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.
In artikel 130, eerste lid, van de WVW staat dat indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling doen aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
In artikel 131, eerste lid, van de WVW staat dat indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk besluit tot:
oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
Artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 [3] (de Regeling) bepaalt dat het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet, indien ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.
Wat vindt eiser?
6. Eiser betoogt dat er wel degelijk sprake is van een novum. Hij wijst daarbij op het strafrechtelijk sepot. Hij heeft door het ontbreken van verzegelde bloedmonsters niet de mogelijkheid gekregen een tegenonderzoek aan te vragen. Bovendien is er geen sprake van een geldige uitslag uit het bloedonderzoek ter onderbouwing van de speekseltest, die een indicatie gaf voor gebruik van cocaïne. Daarmee is niet voldaan aan de criteria voor het opleggen van het onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Verder stelt eiser in bewijsnood te verkeren. Hij wijst er daarbij op dat een speekseltest makkelijk een vals-positief resultaat laat zien en alleen een voorselectiemiddel is. Laboratoriumonderzoek is noodzakelijk om daadwerkelijk vast te stellen of iemand onder invloed is. Nu hij geen tegenonderzoek heeft kunnen laten doen, heeft hij niet de mogelijkheid gekregen de speekseltest te ontkrachten. De speekseltest kan dan ook niet worden betrokken bij het aannemen van het vermoeden.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

7. Zoals de hoogste bestuursrechter eerder heeft overwogen, [4] is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan er op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb [5] ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en dus behoorden te worden overgelegd.
8. De vraag die de rechtbank in deze zaak allereerst moet beantwoorden is of verweerder het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen omdat geen sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Het moet daarbij gaan om nieuwe feiten of omstandigheden die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding kunnen geven.
9. Zoals de hoogste bestuursrechter eerder heeft overwogen, is een sepot op zich geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid. [6] De beslissing van de Officier van Justitie om eiser niet strafrechtelijk te vervolgen is weliswaar genomen na het besluit waarvan herziening is verzocht, maar een na dit besluit genomen beslissing is op zichzelf geen nieuw gebleken feit of omstandigheid. Dit kan anders zijn als het sepot nieuwe feiten of veranderde omstandigheden meldt.
10. De Officier van Justitie is tot een bewijssepot overgegaan, omdat uit het strafdossier niet kon worden herleid dat de bloedmonsters verzegeld bij het laboratorium zijn aangekomen en eiser niet schriftelijk is geïnformeerd over de uitslag van het bloedonderzoek. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat een bloedtest niet als vereiste wordt genoemd in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling voor het aannemen van een vermoeden van rijden onder invloed. Het overschrijden van een grenswaarde is evenmin een vereiste. [7] Daarmee speelt ook het al dan niet kunnen laten verrichten van een tegenonderzoek van een bloedtest, geen rol bij het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid. Voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid is wel vereist dat proces-verbaal is opgemaakt wegens overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wvw én dat de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen. In dit geval is in het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal opgenomen dat een speekseltest een indicatie aangaf voor de stof cocaïne [8] , dat eiser vergrote pupillen en wijd opengesperde ogen had en heeft verklaard dat hij de avond ervoor crack had gerookt. Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan en rechter in beginsel mogen uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Het strafrechtelijk wegvallen van de bloedtest of de onmogelijkheid om een tegenonderzoek van het bloed te verrichten (de gestelde bewijsnood), doet dan ook geen afbreuk aan de in het proces-verbaal opgenomen aanvullende gegevens voor het aannemen van een vermoeden. Het sepot is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen novum, omdat het sepot geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden meldt, die aanleiding geven tot een ander besluit. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
11. De rechtbank ziet in de gestelde omstandigheden evenmin een novum ten aanzien van het besluit waarin het rijbewijs van eiser ongeldig is verklaard. De ongeldigverklaring is namelijk gebaseerd op het niet meewerken aan het opgelegde onderzoek en niet op de uitslag van het bloedonderzoek. De door eiser ter zitting gestelde omstandigheden waarom hij niet aan het geschiktheidsonderzoek heeft kunnen meewerken, kunnen in deze herzieningsprocedure niet worden betrokken.
12. Gelet op voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor het oordeel dat het strafrechtelijke sepot en de gestelde bewijsnood de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk maakt, nu deze omstandigheden geen afbreuk doen aan het door verweerder aangenomen vermoeden.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het herzieningsverzoek in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Wegenverkeerswet 1994.
3.Zoals deze luidde ten tijde van het opleggen van het onderzoek.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5329.
5.Algemene wet bestuursrecht.
6.Zie de uitsprak van de Afdeling van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1276.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1895.
8.In haar uitspraak van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1696, heeft de Afdeling overwogen dat een vermoeden kan ontstaan op basis van een speekseltest.