ECLI:NL:RVS:2021:1895
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onderzoek en schorsing rijbewijs wegens vermoedelijk rijden onder invloed van drugs
Op 23 maart 2019 werd appellant staande gehouden wegens een snelheidsovertreding waarbij sterke wietlucht werd geroken en uiterlijke kenmerken van drugsgebruik werden vastgesteld. Een speekseltest was positief voor cannabis, waarna bloed werd afgenomen voor nader onderzoek. Het CBR legde op 16 mei 2019 een onderzoek naar rijgeschiktheid op en schorste het rijbewijs. Het bezwaar van appellant werd door het CBR en de rechtbank ongegrond verklaard.
De rechtbank stelde vast dat het bloedonderzoek niet betrouwbaar was vanwege onjuiste en niet-verzegelde bloedmonsters, maar vond dat de overige feiten en omstandigheden, zoals de speekseltest en uiterlijke kenmerken, voldoende grond boden voor het opleggen van het onderzoek en schorsing. Appellant stelde in hoger beroep dat zonder betrouwbaar bloedonderzoek geen vermoeden van ongeschiktheid kon worden aangenomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het proces-verbaal met de speekseltest en uiterlijke kenmerken voldoende specifiek was om het vermoeden van rijden onder invloed te rechtvaardigen. De innerlijke tegenstrijdigheden in de waarnemingen waren niet zodanig dat het CBR onzorgvuldig had gehandeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot onderzoek en schorsing van het rijbewijs wordt bevestigd.