ECLI:NL:RBDHA:2026:2509

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
25/4159
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 RWNArt. 8 EVRMArt. 10 RWNArt. 4:84 AwbArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing naturalisatieverzoek wegens ernstige vermoedens gevaar voor openbare orde ondanks bijzondere omstandigheden

Eiser, van Syrische nationaliteit, verzocht op 21 augustus 2024 om naturalisatie voor zichzelf en zijn minderjarige kinderen. Verweerder wees dit verzoek af op grond van een strafrechtelijke veroordeling van 23 mei 2022 wegens mishandeling, waarbij eiser een gevangenisstraf van 18 dagen kreeg opgelegd, waarvan 14 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd liep tot 6 juni 2024, waardoor op het moment van het verzoek de rehabilitatietermijn van vijf jaar nog niet was verstreken.

Eiser voerde aan dat de afwijzing disproportioneel was, omdat hij zich correct had gedragen, zijn reclasseringsverplichtingen had afgerond en er geen recidiverisico bestond. Tevens stelde hij dat verweerder ten onrechte geen individuele beoordeling van het actuele gevaar had gemaakt en dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en het evenredigheidsbeginsel. Ook klaagde eiser over het ontbreken van hoor en wederhoor voorafgaand aan het besluit.

De rechtbank oordeelde dat het beleid zoals neergelegd in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap leidend is en dat de rehabilitatietermijn van vijf jaar strikt wordt toegepast. De door eiser aangevoerde omstandigheden werden niet als zodanig bijzonder aangemerkt dat van het beleid mocht worden afgeweken. De rechtbank stelde dat het belang van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid vereist dat niet snel van de regels wordt afgeweken. Verder concludeerde de rechtbank dat het besluit niet willekeurig is en geen schending van artikel 8 EVRM Pro inhoudt. Ook was er geen schending van hoor en wederhoor, omdat eiser de mogelijkheid had zijn zienswijze te geven op het voornemen tot afwijzing.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het naturalisatieverzoek terecht afgewezen en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard en het verzoek terecht afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4159

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Eliya),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Laros).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om naturalisatie.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 10 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en heeft op 21 augustus 2024 een verzoek ingediend bij verweerder tot naturalisatie, mede voor zijn twee minderjarige kinderen. Verweerder heeft eisers verzoek tot naturalisatie afgewezen omdat hij op 23 mei 2022 door de politierechter van de rechtbank Den Haag, wegens het handelen in strijd met het bepaalde in artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot 18 dagen gevangenisstraf waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren (onder de bijzondere voorwaarden meldplicht, woonbegeleiding/maatschappelijke opvang, verplichte behandeling en contactverbod). De proeftijd liep van 8 juni 2022 tot 6 juni 2024. Hierdoor moet volgens verweerder worden geconcludeerd dat er ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, waardoor hij niet voldoet aan artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat de afwijzing van het naturalisatieverzoek zijn kans en die van zijn kinderen om in Nederland te blijven ernstig beïnvloedt. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte nagelaten om eiser te horen voorafgaande aan het primaire besluit.
De afwijzing van eisers verzoek is gebaseerd op een lichte strafrechtelijke veroordeling waarvoor eiser is veroordeeld tot een milde straf. Eiser heeft slechts vier dagen onvoorwaardelijk uitgezeten in voorarrest. Verweerder stelt ten onrechte dat de sanctie voldoende zwaar is.
Verweerder heeft geen individuele beoordeling gemaakt van de ernst van het delict noch van het actuele gevaar. De opgelegde proeftijd was ten tijde van het verzoek al verstreken, eiser heeft zich correct gedragen, zijn reclasseringsverplichtingen afgerond en eiser woont weer bij zijn gezin. Er is geen recidiverisico maar verweerder negeert dit en houdt star vast aan de rehabilitatietermijn van vijf jaar.
Het besluit is disproportioneel. Eiser is alleen deze ene maal veroordeeld, komt uit Syrië, is goed geïntegreerd en heeft minderjarige kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit kunnen krijgen zolang eisers verzoek wordt geweigerd.
Verder gaat verweerder ten onrechte voorbij aan de gevolgen voor het familie- en privéleven van eiser en zijn kinderen. Dat is in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM.
Ook heeft verweerder ten onrechte niet inhoudelijk aan de hardheidsclausule getoetst.
Wat zijn de regels?
4.1.
Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN wordt het verzoek om naturalisatie van een vreemdeling die voldoet aan de artikel 7 en Pro 8 van de RWN niettemin afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.
4.2.
In de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Handleiding) is het beleid van de staatssecretaris beschreven, waarin staat wanneer er dergelijke ernstige vermoedens zijn. In de Handleiding staat dat een naturalisatieverzoek wordt geweigerd, indien in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop, een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. De periode van vijf jaar wordt de rehabilitatietermijn genoemd. Deze termijn vangt aan op het moment dat de sanctionering onherroepelijk is geworden, of op het moment dat de opgelegde sanctie is uitgevoerd.
4.3.
Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [1] in dit soort zaken, dient het beleid neergelegd in de Handleiding als uitgangspunt bij de beoordeling of sprake is van ernstige vermoedens dat eiser gevaar oplevert voor de openbare orde. [2]
4.4.
Uit paragraaf 6 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN in de Handleiding volgt dat zich in een concreet individueel geval zeer bijzondere feiten en omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van de regels in de Handleiding af te wijken.
4.5.
De overige relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Niet in geschil is dat eiser bij vonnis van 23 mei 2022 (onherroepelijk op 8 juni 2022) door de politierechter van deze rechtbank is veroordeeld tot 18 dagen gevangenisstraf waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wegens mishandeling en dat hij vier dagen in voorarrest in detentie heeft gezeten. Dat betekent dat de rehabilitatietermijn ten tijde van het indienen van het verzoek nog liep en ook nu nog niet is verstreken. Evenmin in geschil is dat eiser daarmee op grond van het beleid zoals neergelegd in de Handleiding op dit moment niet in aanmerking komt voor naturalisatie, omdat op basis van het voorgaande ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde.
6. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigen en dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [3] volgt dat de beoordeling van de evenredigheid in het kader van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geval van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, samenvalt met de beoordeling in het kader van de Handleiding, paragraaf 6 van het beleid voor artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. In het kader van paragraaf 6 kan een verzoeker bijzondere feiten en omstandigheden naar voren brengen die al dan niet leiden tot de conclusie dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd niet zodanig bijzonder zijn dat verweerder van het beleid in de Handleiding had moeten afwijken.
7. De rechtbank stelt voorop dat het volgens paragraaf 6 van de Handleiding van het grootste belang is voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid dat niet snel van de regels wordt afgeweken en dat hierbij zeer grote terughoudendheid moet worden betracht. Daarbij worden in de Handleiding uitdrukkelijk een aantal omstandigheden genoemd die volgens rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt, zoals de omstandigheid dat iemand nimmer eerder een (dergelijk) strafbaar feit heeft gepleegd, iemand lering heeft getrokken uit het gebeurde, en/of thans ieder strafbaar gedrag poogt te vermijden, en/of inmiddels zijn leven aanzienlijk heeft verbeterd. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden hieronder kunnen worden geschaard. Deze door eiser genoemde omstandigheden kunnen niet als zodanig bijzonder worden aangemerkt dat deze tot de conclusie zouden kunnen leiden dat eiser geen gevaar meer vormt voor de openbare orde. Eiser heeft ook niet nader onderbouwd waarom deze omstandigheden in zijn geval wel tot deze conclusie zouden moeten leiden. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat de afwijzing van het naturalisatieverzoek geen invloed heeft op het verblijfsrecht van eiser en zijn kinderen.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het naturalisatieverzoek van eiser niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, omdat eiser niet de nationaliteit van een lidstaat heeft. [4]
9. Verder is het vaste rechtspraak [5] dat een verzoeker aan artikel 8 van Pro het EVRM geen aanspraak op verkrijging van een bepaalde nationaliteit kan ontlenen. Alleen als de afwijzing van een naturalisatieverzoek willekeurig is, kan deze onder omstandigheden in strijd zijn met artikel 8 van Pro het EVRM. Daarvan is in dit geval echter geen sprake.
10. Op grond van artikel 10 van Pro de RWN kan in bijzondere gevallen het Nederlanderschap worden verleend met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid. De rechtbank stelt vast dat op grond van dit artikel niet kan worden afgeweken van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a. Om die reden kan eiser zich ook niet beroepen op dit artikel.
11. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor door eiser niet te horen voorafgaand aan het primaire besluit. Eiser heeft namelijk de mogelijkheid gehad om zijn zienswijze te geven op het voornemen tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het naturalisatieverzoek terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 9
1. Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 wordt niettemin afgewezen, indien
a. op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk;
[…].
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
Paragraaf 1
Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat de naturalisatie of optie wordt geweigerd, als:
(…)
3. er op het moment van indiening van het verzoek/afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen (zie onder 4). Met sanctie wordt niet alleen bedoeld iedere straf als bedoeld in artikel 9 van Pro het Wetboek van Strafrecht (bijvoorbeeld een geldboete, taak-, bijkomende of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook bijvoorbeeld strafbeschikkingen of transacties (door politie of Openbaar Ministerie (OM) opgelegde boetes). Daarbij is niet relevant of de sanctie voorwaardelijk is opgelegd, en evenmin of de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden is afwijking van het onderstaande mogelijk. Van een serieuze verdenking is onder meer sprake, als:
a. tegen de vreemdeling proces-verbaal wegens misdrijf is opgemaakt, en de strafzaak niet is beëindigd of de strafbeschikking niet is uitgevaardigd;
tegen de vreemdeling een strafzaak wegens misdrijf openstaat;
de vreemdeling zich nog in de proeftijd bevindt. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of voorwaardelijke gratie; of
er sprake is van een nog niet onherroepelijk geworden strafvonnis;
(…)
Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
De vreemdeling mag in de periode van vijf jaren (de zogenaamde rehabilitatietermijn van vijf jaar) direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring of de beslissing daarop niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt dat de volgende sancties leiden tot weigering van naturalisatie of optie:
a. iedere vrijheidsbenemende straf of maatregel (onder meer gevangenisstraf en TBS), ongeacht de duur daarvan;
(…)
Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 6, vierde lid, RWN). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen de genoemde artikelen niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels moet men er dus altijd op bedacht zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een naturalisatie of optie dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek of optie dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen of geweigerd, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek of optie moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek of optie zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding RWN 2003 geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Juist omdat het bijzondere omstandigheden zijn, kan niet van tevoren worden aangegeven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij tot afwijking van de regels in dit hoofdstuk moeten leiden.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld dat de vreemdeling:
- nimmer eerder een (dergelijk) strafbaar feit heeft gepleegd;
- lering heeft getrokken uit het gebeurde;
- thans ieder strafbaar gedrag poogt te vermijden;
- de misdraging heeft gepleegd in een bijzonder moeilijke periode die definitief is afgesloten;
- inmiddels is gehuwd, een kind heeft gekregen en stelt zijn leven aanzienlijk te hebben verbeterd;
- bij internationale werkzaamheden hinder ondervindt van zijn buitenlandse paspoort;
- als enige binnen het gezin geen Nederlander is;
(…)
Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.
(…)
De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van artikel 10 RWN Pro worden afgeweken.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3230 (r.o. 2) en van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:703 (r.o. 3).
3.Uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:478 (r.o. 5.3) en 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4887 (r.o. 6.1).
4.Uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1870, r.o. 5.1).
5.Uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3117).