ECLI:NL:RVS:2020:1870
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
Bij besluit van 31 juli 2018 heeft de staatssecretaris het verzoek van appellant om het Nederlanderschap te verkrijgen afgewezen vanwege bedenkingen tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, zoals bedoeld in artikel 8 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De staatssecretaris stelde vast dat het verleende verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan vanaf 14 februari 2013 nimmer heeft bestaan en dat appellant niet onafgebroken vijf jaar hoofdverblijf in het Koninkrijk heeft gehad.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde onder meer aan dat de rechtbank en de Afdeling ten onrechte hadden geoordeeld dat hij geen rechtmatig verblijf had na 1 augustus 2013. Tevens stelde hij dat de Afdeling onterecht artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) had toegepast zonder de vereiste motivering en dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld hadden moeten worden.
De Afdeling oordeelde dat de verblijfsrechtelijke procedure en de naturalisatieprocedure gescheiden zijn en dat de verblijfsrechtelijke besluiten onherroepelijk zijn. De aangevoerde bezwaren over motivering en toepassing van EU-recht konden niet worden meegenomen in de naturalisatieprocedure. Ook het beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en bewijslastverdeling faalde, omdat het verkrijgen van de nationaliteit niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd.