ECLI:NL:RBDHA:2026:2738

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL26.5636
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel bewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Algerije

De minister legde op 15 september 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel. Na eerdere uitspraken over de rechtmatigheid tot 20 november 2025, beoordeelt de rechtbank nu of de maatregel sindsdien rechtmatig is.

Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt omdat de lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten sinds oktober 2024 loopt zonder enige reactie, ondanks 24 rappelleringen. De minister heeft geen dossierniveau rappelleringen verricht en is niet voornemens andere uitzettingshandelingen te verrichten dan het afwachten van een reactie.

De rechtbank stelt vast dat het zicht op uitzetting in het individuele geval ontbreekt en dat de maatregel van bewaring daarom niet langer kan voortduren. Hoewel eiser onvoldoende meewerkt aan zijn identiteit, rust op de minister de verplichting om meer dan alleen afwachten te doen. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 10 februari 2026 en kent eiser een schadevergoeding toe van €100,- voor één dag onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens worden de proceskosten van €1.868,- aan de minister opgelegd.

Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van reëel zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5636

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt)

Procesverloop

De minister heeft op 15 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Tegen deze maatregel heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft op dit beroep beslist met haar uitspraak van 14 oktober 2025. [1] Op het eerste vervolgberoep is door de rechtbank beslist op 26 november 2025. [2]
De minister heeft de rechtbank op 2 februari 2026 laten weten dat 75 dagen zijn verstreken zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarom heeft de minister verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren (de kennisgeving). De kennisgeving moet worden aangemerkt als vervolgberoep. Daarbij heeft de minister een voortgangsrapportage overlegd. Eiser heeft op die voortgangsrapportage gereageerd.
De rechtbank heeft het vervolgberoep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [3]
2. Uit de uitspraak van 26 november 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 20 november 2025) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?/ Is het voortduren van de maatregel rechtmatig?
3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn ontbreekt. De minister heeft op 29 oktober 2024 een laissez-passer (lp) aanvraag gedaan bij de Algerijnse autoriteiten. Tot op heden is hier geen enkele reactie opgekomen van de Algerijnse autoriteiten, terwijl er 24 keer is gerappelleerd. De minister heeft niet op dossierniveau gerappelleerd. Na ruim vijftien maanden is er geen sprake meer van een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
3.1.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser op dit moment niet gesproken kan worden van een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De maatregel kan daarom niet langer voortduren. De rechtbank licht dit oordeel nader toe.
3.2.
De rechtbank neemt mee dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen bestaat. [4] Dat uitgangspunt staat niet ter discussie. Dit houdt echter niet in dat het bestaan van zicht op uitzetting in algemene zin doorslaggevend is. Er moet steeds worden beoordeeld of in het concrete en individuele geval sprake is van een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. In het geval van eiser is niet gebleken dat het zicht op uitzetting voldoende aanwezig is. De maatregel van bewaring waartegen het vervolgberoep zich richt dateert van 15 september 2025 en duurt ten tijde van het onderzoek op de zitting bijna vijf maanden. De lp-aanvraag is gedaan ten tijde van een eerdere maatregel en loopt inmiddels vijftien maanden. Uit het voortgangsrapportage (M120) blijkt dat de minister ook na de opheffing van de eerdere maatregel maandelijks is blijven rappelleren op de lp-aanvraag. Dit heeft tot op heden niet geleid tot enige reactie van de Algerijnse autoriteiten. Er is geen nationaliteitsbevestiging afgegeven. Ook is er niet gebleken van een ander aanknopingspunt voor daadwerkelijke voortgang van behandeling van de lp-aanvraag.
3.3.
De minister heeft op zitting toegelicht dat, gelet op geldende afspraken met de Algerijnse autoriteiten, geen presentaties in persoon plaatsvinden voor ongedocumenteerde vreemdelingen zolang er geen schriftelijke nationaliteitsbevestiging is verkregen. Ook wordt niet op een andere manier op dossierniveau gerappelleerd. Wel zijn bij de lp-aanvraag vingerafdrukken meegestuurd. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat vingerafdrukken van Algerijnse burgers worden geregistreerd vanaf hun 16e levensjaar. Verder is niet bekend hoe het identiteitsonderzoek in Algerije precies wordt gedaan. In het geval van eiser betekent dit dat de uitzettingshandelingen beperkt blijven tot het schriftelijk rappelleren op de lp-aanvraag en het voeren van vertrekgesprekken. De minister heeft daarbij expliciet verklaard dat hij de aankomende periode geen andere handelingen zal verrichten. Dit betekent dat het uitzettingstraject van eiser volledig is komen te rusten op het afwachten op een reactie van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank acht deze situatie doorslaggevend voor het oordeel dat op dit moment het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Aangezien de minister niet voornemens is andere uitzettingshandelingen te verrichten dan de handelingen die reeds vijftien maanden zonder resultaat worden uitgevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de Algerijnse autoriteiten op korte termijn alsnog zullen reageren. Dat er – zoals de minister stelt – in december 2025 33 lp’s zijn verstrekt, 9 presentaties in persoon en 19 gedwongen uitzettingen hebben plaatsgevonden naar Algerije, doet niet af aan de individuele omstandigheden van dit geval. De huidige handelswijze van de minister wekt immers weinig vertrouwen dat er op korte termijn een reactie komt van de Algerijnse autoriteiten. Gelet op het gegeven dat de lp-aanvraag al vijftien maanden loopt is het onvoldoende om ervan uit te gaan dat zolang er geen negatief antwoord is van Algerije zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.
3.4.
De rechtbank is het wel met de minister eens dat eiser onvoldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit en daarmee aan zijn terugkeer. In het vertrekgesprek van 19 januari 2026 geeft eiser aan geen problemen te hebben met het gegeven dat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben geantwoord op de lp-aanvraag. Ook verklaart hij zelf geen nieuws te hebben. Eiser heeft geen concrete acties ondernomen om zelf documenten te verkrijgen. Dit is een omstandigheid die in beginsel voor risico van eiser komt. Dit laat echter onverlet dat ook in dergelijke gevallen op de minister de verplichting rust om voldoende en daadwerkelijke handelingen te verrichten die gericht zijn op (een spoedige) uitzetting. Aangezien al vijftien maanden, zonder enig resultaat, wordt gerappelleerd en vertrekgesprekken worden gevoerd, zijn deze uitzettingshandelingen Temeer gezien het feit dat de Algerijnse autoriteiten al sinds oktober 2024 beschikken over de vingerafdrukken van eiser en vingerafdrukken van Algerijnse burgers – zoals de minister op de zitting heeft verklaard – worden geregistreerd. Van de minister mag worden verwacht dat hij meer doet dan het afwachten van een reactie van de Algerijnse autoriteiten.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan het opheffen daarvan onrechtmatig is geweest. [5]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf de dag van de zitting onrechtmatig. Op de zitting is immers duidelijk geworden dat de minister niet voornemens is andere uitzettingshandelingen te verrichten dan de handelingen die reeds vijftien maanden zonder resultaat zijn uitgevoerd. Het zicht op uitzetting in het individuele geval van eiser naar Algerije ontbreekt op dit moment. Eén en ander kan in de toekomst anders komen te liggen als vanuit de Algerijnse autoriteiten concrete stappen, toezeggingen of beslissingen met betrekking tot (de voortgang van) de lp-aanvraag naar voren komen.
6. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om eiser een schadevergoeding toe te kennen voor 1 dag onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 100,-.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 10 februari 2026
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 100,-, en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18925.
2.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 26 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22522.
3.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
4.ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ABRvS 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).