ECLI:NL:RBDHA:2026:2989

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL25.32593
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 64 VwArt. 3.6ba VbArt. 3.4 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning bij zoon wegens belangenafweging artikel 8 EVRM

Eiseres, een hoogbejaarde vrouw met Marokkaanse nationaliteit en gevorderde dementie, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning bij haar zoon in Nederland. De minister wees deze aanvraag af, waarbij werd meegewogen dat het om een eerste toelating ging en dat er geen objectieve of subjectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Marokko voort te zetten. Ook het economisch belang van de Nederlandse staat, met name de druk op de gezondheidszorg, werd betrokken in de belangenafweging.

Eiseres voerde aan dat haar leeftijd, medische situatie en familiebanden in Nederland zwaarwegend zijn en dat het ouderenbeleid en de schrijnendheidstoets van toepassing zouden moeten zijn. De rechtbank oordeelde dat de minister alle relevante feiten en belangen heeft meegewogen en dat de belangenafweging een fair balance vormt tussen het persoonlijke belang van eiseres en het algemeen belang van de staat.

De rechtbank stelde vast dat passende zorg beschikbaar is in Marokko en dat de stelling dat de taalbarrière een reële belemmering vormt niet is onderbouwd. Ook is niet gebleken van een schrijnende situatie die verblijf op humanitaire gronden rechtvaardigt. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32593
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. J.M. Walther),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. K. Kanters).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand blijft. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een vergunning voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar zoon [referent] (referent). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep1, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, referent, de heer Ben Ali als tolk en de gemachtigde van de minister.
1 Zaak NL25.32594.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1937 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Haar enige kind (referent) woont al jarenlang, in ieder geval sinds 1989, met zijn gezin in Nederland. Eiseres is in oktober 2022 met een visum voor kort verblijf (toeristenvisum) vanuit Marokko naar Nederland gereisd om haar zoon en zijn gezin op te zoeken. Tijdens dit verblijf is de gezondheidssituatie van eiseres volgens eiseres zodanig verslechterd dat zij en haar familie het niet verantwoord vonden voor haar om terug te keren naar Marokko. Eiseres is na afloop van de geldigheid van haar visum in Nederland gebleven en heeft op 6 januari 2023 onderhavige aanvraag ingediend. Eiseres woont in Nederland bij haar zoon en wordt door hem en andere gezinsleden verzorgd. Bij eiseres is inmiddels sprake van gevorderde dementie. Zij is volledig ADL-afhankelijk.

Het bestreden besluit

5. De minister heeft de aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen. De minister heeft gezins- of familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM2 tussen eiseres en referent aangenomen en daarom in het bestreden besluit een belangenafweging gemaakt om te bepalen of weigering van de gevraagde vergunning strijd oplevert met artikel 8 van Pro het EVRM. De minister overweegt in het bestreden besluit dat dit niet het geval is. Het belang van de Nederlandse staat weegt volgens de minister zwaarder dan het persoonlijk belang van eiseres en referent. Hierbij heeft de minister onder meer betekenis toegekend aan de omstandigheid dat voor eiseres sprake is van eerste toelating en dat er geen objectieve en subjectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Ook wijst de minister erop dat het ouderenbeleid in 2012 is afgeschaft en dat het destijds een bewuste keuze is geweest om een terughoudender gezinsmigratiebeleid te voeren. Bij verruimde gezinshereniging met ouderen komen de publieke middelen, met name de gezondheidszorg namelijk doorgaans meer onder druk te staan. De minister heeft deze elementen in het nadeel van eiseres laten meewegen in de belangenafweging en de aanvraag afgewezen. Ook vindt de minister dat er geen aanleiding bestaat om eiseres in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op medische gronden of uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw3. Uit het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) van 2 april 2025 blijkt dat professionele zorg - zoals nu wordt gedaan door mantelzorg - aanwezig is in onder andere een tehuis in [plaats] , Marokko.

Standpunt eiseres

6. Eiseres voert in haar gronden van beroep aan dat de belangenafweging ten onrechte in haar nadeel is uitgevallen. Zij wijst erop dat haar hoge leeftijd en medische omstandigheden een zwaarwegende rol in haar voordeel moeten spelen. Ook de omstandigheden dat zij geen criminele antecedenten heeft, beschikt over een paspoort en dat referent voldoende middelen heeft van bestaan spelen in positieve zin mee. Verder moet volgens eiseres meewegen dat er weliswaar sprake is van medische kosten voor eiseres, maar dat zij voornamelijk mantelzorg van familie ontvangt, zodat de druk op de gezondheidszorg genuanceerd moet worden. Verder stelt eiseres dat het klopt dat sprake is van een eerste toelating maar dat het niet vanaf begin af aan haar intentie is geweest om in Nederland te blijven en daarmee de Nederlandse staat voor een voldongen feit te plaatsen. Dit moet dus niet in negatieve zin worden meegewogen. In het kader van subjectieve belemmeringen benadrukt eiseres dat referent een echtgenote, (klein)kinderen en een baan in Nederland heeft. Het kan dus niet van hem worden gevergd zich bij zijn moeder in Marokko te vestigen. Bovendien heeft eiseres niet alleen een band met haar zoon maar ook met haar kleinkinderen. De minister heeft miskend dat eiseres alleen Berber en geen Arabisch spreekt. De optie dat eiseres wordt opgenomen in een tehuis in [plaats] is daarom niet reëel. Gelet hierop heeft de minister naar de mening van eiseres ten onrechte overwogen dat haar belangen ondergeschikt kunnen worden geacht aan het belang van de Nederlandse overheid. Eiseres stelt tenslotte, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond4, dat het, ondanks dat het ouderenbeleid is afgeschaft, van belang is dat eiseres voldoet aan alle vereisten van dat afgeschafte beleid. Eiseres is alleenstaand en in de laatste fase van haar leven. De minister kan gelet hierop op grond van artikel 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit (Vb) een verblijfsvergunning verlenen op grond van schrijnendheid. De minister heeft dat hier ten onrechte niet gedaan.
2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3 Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Heeft de minister in het licht van artikel 8 van Pro het EVRM de belangen op juiste wijze gewogen?
7. De rechtbank wijst erop dat uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de minister bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven een “fair balance” moet vinden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moet hij alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken. De rechtbank moet allereerst beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar bij de afweging heeft betrokken. De rechtbank mag dit vol toetsen. Als alle belangen zijn meegewogen moet de rechtbank beoordelen of de uitkomst van de weging getuigt van een "fair balance". Dit laatste moet de rechtbank enigszins terughoudend toetsen.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister alle relevante gegevens en belangen kenbaar in de belangenafweging betrokken en heeft hij zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance".
9. De rechtbank overweegt dat de minister in dit kader terecht en overeenkomstig het beleid5 betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat er sprake is van een eerste toelating voor eiseres en dus geen sprake is van inmenging in het recht op gezinsleven. Eiseres heeft immers nooit rechtmatig verblijf gehad in Nederland op grond van een verblijfsvergunning en het gezinsleven is niet in Nederland aangegaan of ontwikkeld. Bij het vinden van de “fair balance” heeft de minister dit daarom niet ten onrechte zo laten meewegen dat dit de uitgangspositie van eiseres in de belangenafweging minder sterk maakt. Dat eiseres bij haar (laatste) binnenkomst in Nederland niet de intentie zou hebben gehad om zich in Nederland te vestigen en daarmee de Nederlandse staat voor een voldongen feit te plaatsen, doet hieraan niet af. De minister heeft in dit verband niet ten onrechte opgemerkt dat eiseres al voor haar komst naar Nederland gezondheidsproblemen had en desondanks het risico heeft genomen de reis naar Nederland te maken. De minister heeft, kijkend naar het economisch belang van de Nederlandse staat, de belasting voor de gezondheidszorg en de kosten die gepaard gaan met toelating van ouderen met al aanwezige gezondheidsproblemen, zoals eiseres, (zwaar) in haar nadeel mogen meewegen. De minister heeft er daarbij ook niet ten onrechte op gewezen en meegewogen dat het een bewuste keuze is geweest om het ouderenbeleid af te schaffen en een terughoudender gezinsmigratiebeleid te voeren. De minister heeft verder, onder verwijzing naar het BMA-advies van 2 april 2025, kunnen vaststellen dat voor eiseres passende zorg beschikbaar is in Marokko. De stelling van eiseres dat het in het advies genoemde verzorgingshuis in [plaats] geen reële optie is omdat daar geen Berber wordt gesproken, leidt niet tot een ander oordeel. Dat in het betreffende verzorgingshuis geen Berber wordt gesproken is een aanname van eiseres die niet is onderbouwd. Bovendien blijkt uit het advies dat de voor eiseres benodigde professionele zorg onder andere aanwezig is in [plaats] en daarmee niet daartoe is beperkt.
4 Uitspraak van 7 juli 20204, ECLI:NL:RBDHA:2024:11431.
5 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), B7/3.8.2 en 3.8.3.
10. De rechtbank constateert verder dat de minister bij de belangenafweging heeft betrokken dat het begrijpelijk is dat eiseres de wens heeft haar laatste levensjaren in de nabijheid van haar te willen doorbrengen en dat haar familie de wens heeft om haar in de familiekring te verzorgen. Verder heeft de minister in het voordeel van eiseres meegewogen dat zij over een paspoort beschikt en geen criminele antecedenten heeft. Ook heeft de minister in het voordeel van eiseres bij de belangenafweging betrokken dat referent beschikt over een eigen inkomen en daarmee in de kosten van levensonderhoud kan voorzien.6. De minister heeft er echter met betrekking tot het eigen inkomen van referent in het besluit niet ten onrechte op gewezen dat het economische belang van de Nederlandse Staat niet enkel de vraag omvat of zelf kan worden voorzien in de kosten van levensonderhoud. Dit gaat ook over voorzieningen als woningen, gezondheidszorg en infrastructuur. De omstandigheid dat de minister een aspect van het economisch belang beperkt in het voordeel van de vreemdeling heeft meegewogen, maakt dan ook niet dat de minister niet in bredere zin het economisch belang in het nadeel van de vreemdeling mag meewegen. De minister heeft daarom grote betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat het aannemelijk is dat eiseres als oudere op hoge leeftijd met gevorderde medische problematiek (veel) gebruik zal maken van de Nederlandse gezondheidszorg. Op de zitting is ook bevestigd dat eiseres, naast de mantelzorg door haar familie, gebruikt maakt van de Nederlandse gezondheidszorg. De stelling van eiseres dat zij in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid geen dure operaties zal ondergaan maar met name gebruik zal maken van niet erg kostbare palliatieve zorg, betreft een in de toekomst gelegen onzekere toekomstige gebeurtenis. Daarom kan daaraan niet die waarde worden toegekend die eiseres hieraan gehecht wil zien. De minister heeft er verder niet ten onrechte op gewezen dat ook palliatieve zorg kosten met zich meebrengt.
11. Ook mocht de minister in het nadeel van eiseres gewicht toekennen aan de omstandigheid dat eiseres, behalve dat referent en zijn gezin hier wonen, geen binding heeft met Nederland en dat er geen objectieve of subjectieve belemmeringen bestaan voor eiseres en referent om hun gezinsleven in Marokko uit te oefenen. De omstandigheid dat de zoon van eiseres zijn baan hiervoor zou moeten opzeggen en zijn (klein)kinderen zou moeten achterlaten, maakt niet dat sprake is van dergelijke belemmeringen. Referent is geboren en getogen in Marokko, hij beschikt over de Marokkaanse nationaliteit en heeft daar nog banden. Hij is volwassen en geacht kan worden dat hij zich daar kan handhaven. Verder heeft de minister er ter zitting voor wat betreft de band met de kleinkinderen van eiseres niet ten onrechte op gewezen dat ook op grond van de rechtspraak van het EHRM, de relatie tussen grootouder en kleinkind in het algemeen juridisch minder bescherming geniet dan de band tussen ouder en kind.7 Daarbij komt dat alleen de jongste zoon van referent bij hen in huis woont en hij maar weinig helpt bij de zorg voor zijn oma.8
6 Zie blz. 3 van het bestreden besluit.
12. De minister heeft bij de afweging van het persoonlijk belang van eiseres tegenover het algemeen belang van de Staat dat is gediend bij een restrictief toelatingsbeleid dan ook niet ten onrechte aan het belang van de Nederlandse Staat een zwaarder gewicht toegekend dan aan het belang van eiseres. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de minister geen “fair balance” heeft gevonden. De beroepsgrond faalt.
Schrijnendheid?
13. Eiseres heeft voor het eerst op de zitting een beroep gedaan op (rechtspraak over) artikel 3.6ba van het Vb. Op grond van dit artikel kan tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden, ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb als sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen.
14. De rechtbank overweegt, mede in het licht van wat hiervoor is overwogen, dat bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in dit artikel niet zijn gesteld of gebleken. Hierbij is van belang dat, zoals eiseres ook ter zitting zelf heeft aangegeven, medisch gezien niet vaststaat dat zij zich in haar laatste levensfase bevindt en dat geen sprake is van een bijzondere medische situatie. De medische omstandigheden van eiseres zijn immers omstandigheden waar veel meer mensen op (hoge) leeftijd, ook gedurende langere tijd, last van kunnen hebben. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat in dit geval sprake is van een bijzondere schrijnende situatie die maakt dat om humanitaire redenen verblijf aan eiseres moet worden toegekend. Dit geldt temeer niet nu, zoals hiervoor is overwogen, de noodzakelijke medische zorg voor eiseres in Marokko beschikbaar en toegankelijk is. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing in stand blijft. Eiseres krijgt dan ook geen vergoeding van haar proceskosten.
8 Zie het verslag gehoor ambtelijke commissie, bladzijde 2.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.