ECLI:NL:RVS:2024:1916
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens belangenafweging familieleven
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 juli 2017 de aanvraag van een Syrische vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de rechtbank het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De vreemdeling, grootmoeder van een in Nederland verblijvende kleinkind, voerde aan dat er sprake is van familieleven dat bescherming verdient onder artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris erkende de hechte persoonlijke band tussen vreemdeling en kleinkind, maar stelde dat het economisch belang van Nederland en het restrictieve toelatingsbeleid prevaleren.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat de motivering van de staatssecretaris over het ontbreken van familieleven met de meerderjarige dochter onvoldoende was. Wel was de belangenafweging van de staatssecretaris onvoldoende terughoudend getoetst door de rechtbank. De medische klachten van de vreemdeling en de zorgsituatie in Libanon werden niet als zodanig bijzonder aangemerkt dat zij zwaarder hadden moeten wegen.
De Afdeling stelde dat de staatssecretaris terecht het economisch belang van Nederland zwaarder mocht laten wegen bij de eerste toelating van de vreemdeling. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, maar de uitspraak van de rechtbank bleef in stand. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met een deugdelijke motivering over het familieleven en de belangenafweging.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met een deugdelijke motivering over familieleven en belangenafweging.