ECLI:NL:RBDHA:2026:3011

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4402
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 50 VwArt. 106 VwArt. 5.1b VbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending aanwezigheidsrecht bij vreemdelingenbewaring

Eiseres werd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld vanwege het risico dat zij zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Zij stelde dat de maatregel onrechtmatig was, onder meer omdat zij niet correct was geïnformeerd en haar aanwezigheidsrecht bij de bewaringszitting was geschonden.

De rechtbank oordeelde dat de ophouding en bewaring op juiste wettelijke gronden waren gebaseerd en dat de zware gronden voor bewaring terecht waren aangevoerd. Wel werd vastgesteld dat eiseres niet aanwezig was bij de bewaringszitting omdat het aanmeldgehoor op dezelfde dag was gepland, wat een schending van haar aanwezigheidsrecht opleverde.

Naar aanleiding hiervan werd de bewaring opgeheven en werd het beroep gegrond verklaard. De rechtbank kende een schadevergoeding van €240 toe voor de onrechtmatige bewaring van twee dagen en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €2.335. De uitspraak benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht en correcte procesvoering bij vrijheidsontnemende maatregelen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens schending van het aanwezigheidsrecht en kent een schadevergoeding toe voor de onrechtmatige bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4402

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

1. Bij besluit van 26 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook de partner van eiseres is verschenen. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst tot maandag 9 februari 2026, 12:00 uur.
1.3.
Op 6 februari 2026 heeft verweerder de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven. Op 9 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Nu de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bewaringsmaatregel van meet af aan onrechtmatig is en voert daartoe het volgende aan.
4.1.
Verweerder heeft eiseres ten onrechte opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, Vw. Uit het gehoor blijkt namelijk dat de politie nog onderzoek deed naar de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status van eiseres. De juiste grondslag voor de ophouding was daarom artikel 50, tweede lid, Vw. Eiseres betwist ook dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw de juiste grondslag is voor de maatregel. Eiseres is in bewaring gesteld om gegevens te verkrijgen. Niet duidelijk is wat de stand van zaken is. Het onderzoek kan al afgerond zijn.
4.2.
Ten aanzien van zware grond 3c voert eiseres aan dat haar toenmalige gemachtigde failliet is gegaan. Het terugkeerbesluit van 26 september 2024 is daarom niet door haar gemachtigde aan haar toegezonden. Eiseres heeft pas in januari 2025 kennis genomen van het terugkeerbesluit. Daarnaast zou zij op maandag 2 juni 2025 naar Ter Apel gaan om asiel aan te vragen. Dit heeft zij niet gedurfd omdat zij tegelijkertijd medische afspraken had in Den Haag. Over zware grond 3i voert eiseres aan dat zij in afwachting is van een beslissing op haar asielaanvraag en dat deze grond daarom niet meer van toepassing is. Ten aanzien van zware grond 3b refereert eiseres zich aan het oordeel van de rechtbank. Daarnaast betwist eiseres alle lichte gronden en voert zij aan dat zij altijd heeft verbleven op het adres van haar partner. Daarnaast verdient eiseres een inkomen met videogesprekken op [platform] en wordt zij ondersteund door haar partner.
4.3.
Verder voert eiseres aan dat zij niet volledig is geïnformeerd. In de rechtsmiddelenclausule van het bestreden besluit staat dat er beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening kan worden ingediend. Verder is de Spaanse vertaling van de gronden voor inbewaringstelling pas vlak voor zitting ingediend en dat is in strijd met de goede procesorde. Uit de vertaling blijkt verder dat lichte grond 4d niet is aangekruist, terwijl die in het bestreden besluit wel is tegengeworpen. Het vertrekgesprek van 2 februari 2026 is pas ter zitting ingediend. Ook dat is in strijd met de goede procesorde. De gemachtigde van eiseres had dit nog graag met haar cliënte willen bespreken.
4.4.
Subsidiair betoogt eiseres dat verweerder een lichter middel had moeten opleggen. Ze heeft HIV en bovendien heeft verweerder geen rekening gehouden met haar transgender-problematiek. Bij transgenderproblematiek moet worden gekeken naar een passende oplossing voor eiseres. In de belangenafweging is er geen onderzoek naar gedaan.
4.5.
Indien de bewaringsmaatregel niet van meet af aan onrechtmatig is opgelegd, stelt eiseres zich op het standpunt dat deze onrechtmatig is vanaf de dag van de zitting, nu haar aanwezigheidsrecht is geschonden.
Het oordeel van de rechtbank
Grondslag ophouding
5. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet op een onjuiste grondslag opgehouden. Artikel 50, derde lid sluit niet uit dat tijdens de ophouding verweerder wat betreft de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van eiseres nog de nodige verificatiewerkzaamheden verricht en aanvullende gegevens van eiseres verzamelt terwijl hij voorts voorbereidingen kan treffen voor een mogelijke inbewaringstelling. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2014. [1]
Grondslag maatregel
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw de juiste grondslag voor de vrijheidsontnemende maatregel. Niet is gebleken dat alle voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens waren verkregen. Eiseres moest immers nog gehoord worden. Daarop zouden nog correcties en aanvullingen kunnen worden ingediend, waarna een voornemen wordt uitgebracht waar nog op gereageerd kan worden met een zienswijze. [2]
Zware en lichte gronden
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres ook geruime tijd na het faillissement van haar toenmalige gemachtigde en nadat zij kennis had genomen van haar vertrekplicht niet is teruggekeerd naar haar land van herkomst. Evenmin heeft zij zich gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter Apel om een asielaanvraag in te dienen. Reeds daarom kan het beroep op het faillissement geen doel treffen. Daarnaast had eiseres een nieuwe gemachtigde kunnen raadplegen en met het COA afspraken kunnen maken over haar meldplicht en de medische behandelingen in Den Haag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom de zware gronden 3b, 3c en 3i mogen tegenwerpen. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Wat verder is aangevoerd tegen de lichte gronden behoeft daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen afzien van het opleggen van een lichter middel. Weliswaar is de genderidentiteit van eiseres niet meegenomen in de belangenafweging, maar wel in de tenuitvoerlegging. Eiseres verbleef op de Extra Zorg Afdeling (EZA) van het detentiecentrum Rotterdam. Naar het oordeel van de rechtbank is de bewaring hiermee niet onevenredig bezwarend. [3]
Informatieplicht
5.4.
Verweerder heeft de aan eiseres uitgereikte vertaling van het besluit een half uur voor aanvang van de zitting ingediend in het digitale dossier. De rechtbank is het met eiseres eens dat dit eerder had gekund en gemoeten, maar zal het document niet buiten beschouwing laten, nu eiseres ter zitting erop heeft kunnen reageren. In haar reactie voert eiseres terecht aan dat verweerder lichte grond 4d niet heeft aangekruist en dat er daarom sprake is van een gebrek. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hiermee echter niet zo ernstig in haar belangen geraakt dat de belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. Daarbij is van belang dat de zware gronden reeds voldoende zijn om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarnaast heeft eiseres beroep ingesteld en heeft eiseres zich kunnen verdedigen.
5.5.
De rechtbank oordeelt verder dat eiseres niet onjuist is geïnformeerd over de rechtsmiddelenclausule. De rechtsmiddelenclausule vermeldt terecht dat eiseres beroep kan instellen. De zinsnede over het indienen van beroep of een voorlopige voorziening is vooral praktische informatie. Bovendien volgt uit de titel boven de alinea dat deze informatie bedoeld is voor indiening van beroep door anderen dan een advocaat.
(Vertrek-)gesprek van 2 januari 2026
5.6.
De rechtbank is het met eiseres eens dat de indiening van dit verslag eerder had gekund en gemoeten, maar zal het document niet buiten beschouwing laten, nu eiseres ter zitting erop heeft kunnen reageren. Daarnaast is het gesprek blijkens de inhoud meer een informatiegesprek dan een daadwerkelijk vertrekgesprek geweest.
Tussenconclusie
5.7.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [4] ziet de rechtbank op grond van het voorgaande geen grond voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. De rechtbank komt daarom toe aan de beroepsgrond van eiseres dat de bewaringsmaatregel per 5 februari 2026, de dag van de zitting, onrechtmatig was, nu er sprake is van schending van het aanwezigheidsrecht van eiseres.
Aanwezigheid ter zitting
5.8.
Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling moet de rechtbank de mededeling dat een vreemdeling niet wenst te worden gehoord ambtshalve op juistheid onderzoeken. Op 4 februari 2026, de dag voor de bewaringszitting, is door de rechtbank een door eiseres getekende - in het Nederlands opgestelde - afstandsverklaring ontvangen. Volgens vaste rechtspraak heeft de rechtbank daarmee in beginsel aan haar vergewisplicht voldaan.
5.9.
Op de bewaringszitting heeft de gemachtigde van eiseres gesteld verbaasd te zijn dat haar cliënte niet is verschenen, aangezien zij met haar had besproken hier wel aanwezig te zullen zijn om het woord te kunnen voeren. Ook haar partner die mee is gekomen naar de zitting was in die veronderstelling. Tijdens de zitting is verder naar voren gekomen dat het aanmeldgehoor op dezelfde dag van de zitting was ingepland. De gemachtigde van eiseres heeft daarop het vermoeden uitgesproken dat eiseres daarom niet aanwezig was op de bewaringszitting en aangevoerd dat dit een schending oplevert van haar aanwezigheidsrecht in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM. Het komt immers voor rekening en risico van verweerder om het aanmeldgehoor op dezelfde dag als de bewaringszitting te plannen. De bewaringsmaatregel dient daarom direct te worden opgeheven.
5.10.
De rechtbank heeft daarop het onderzoek ter zitting geschorst tot maandag 9 februari 2026, 12:00 uur en partijen in de gelegenheid gesteld om nadere reacties in te dienen. Na de zitting en na een gesprek met eiseres heeft de gemachtigde, kort samengevat, aangegeven dat eiseres niet heeft begrepen waarvoor zij afstand tekende en zij in de veronderstelling was dat zij aanwezig zou zijn bij de bewaringszitting. Verweerder heeft, kort samengevat, aangegeven dat hij niet heeft kunnen achterhalen onder welke omstandigheden eiseres de afstandsverklaring heeft getekend. Verweerder heeft daarom de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven en een proceskostenvergoeding en een schadevergoeding van € 240,- aangeboden voor de periode 5 februari 2026 tot en met 6 februari 2026.
5.11.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat niet langer in geschil is dat sprake is van een gebrek. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en verweerder veroordelen tot een proceskostenvergoeding.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank overweegt dat de maatregel vanaf 5 februari 2026 tot en met 6 februari 2026 onrechtmatig is geweest.
6.1.
Eiseres maakt aanspraak op een schadevergoeding, omdat zij gedurende 2 dagen onrechtmatig is gedetineerd. De rechtbank zal het door verweerder reeds aangeboden bedrag aan schadevergoeding toekennen. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de behandeling ter zitting en 0,5 punt voor het geven van nadere inlichtingen met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 240,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RVS:2014:1105, met name rechtsoverweging 1.4.
2.Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:375), met name rechtsoverweging 3.1.
3.Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1462).
4.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.