Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:3033

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL25.50396 en NL25.50397
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 6 onder c Vreemdelingenwet 2000Art. 30b lid 1 onder g Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteitsgroei homoseksuele asielzoeker

Eiser, een man van Nigerese nationaliteit, heeft sinds 2002 meerdere asielaanvragen ingediend met als grond dat hij homoseksueel is en een identiteitsgroei heeft doorgemaakt. Na eerdere afwijzingen en onherroepelijke besluiten, diende hij in november 2022 een opvolgende aanvraag in. Verweerder wees deze aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de gestelde identiteitsgroei onvoldoende aannemelijk was.

De rechtbank beoordeelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid en relatie als summier en onvoldoende concreet heeft beoordeeld. De ingebrachte stukken, waaronder foto’s, WhatsApp-berichten en verklaringen van de partner, waren te oppervlakkig om de identiteitsgroei aannemelijk te maken.

Verder was het niet onzorgvuldig dat verweerder de partner van eiser niet heeft gehoord, omdat er geen twijfelgeval bestond. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd was en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.50396 (beroep)
NL25.50397 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren [geboortedag] 1969, van Nigerese nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser,
(gemachtigde: mr. R. Balkenende)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/ voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Bij besluit van 10 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, A.K. Umar als tolk in de taal Hausa en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden eiser asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en dat de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser heeft Niger in januari 2002 verlaten, is liftend naar Benin gereisd en vervolgens als verstekeling op een boot naar Nederland gereisd. Op 19 februari 2002 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd, omdat hij wraak in de familiale sfeer vreesde. Bij beschikking van 12 december 2002 is de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Deze beschikking is na beroep en hoger beroep onherroepelijk geworden.
4.1.
Vervolgens heeft eiser 14 augustus 2009 opnieuw een asielaanvraag gedaan, waaraan hij ten grondslag heeft gelegd dat hij homoseksueel is. Deze tweede aanvraag is bij beschikking van 21 augustus 2009 afgewezen. Ook deze beschikking is onherroepelijk geworden.
4.2.
Vervolgens heeft eiser op 17 februari 2013 een herhaalde aanvraag om verlening
van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hieraan heeft eiser onder andere nogmaals ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Bij beschikking van 19 november 2015 is de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van 26 februari 2016 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiser gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van de uitspraak. [1] Verweerder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 juli 2016 heeft de Afdeling [2] het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 26 februari 2016 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank. [3] Na nog een uitspraak van de rechtbank en de Afdeling is ook deze beschikking onherroepelijk geworden.
4.3.
Tot slot heeft eiser op 22 november 2022 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Over deze aanvraag gaat de beroepsprocedure.
Asielrelaas
5. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij de Nigerese nationaliteit heeft en tot de Hausa bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft verklaard homoseksueel te zijn en in zijn identiteit gegroeid te zijn sinds zijn laatste asielaanvraag. Hij heeft sinds 2013 een vaste relatie met een Nederlandse man.
Besluitvorming
6. Verweerder heeft de volgende asielmotieven onderscheiden:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
De gestelde identiteitsgroei.
6.1.
Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De gestelde identiteitsgroei wordt door verweerder echter niet geloofwaardig geacht.
6.2.
Verweerder beoordeelt de gestelde identiteitsgroei als volgt. Verweerder stelt allereerst dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [4] De verklaringen van eiser over zijn relatie zijn namelijk summier en oppervlakkig. Ook heeft hij summier en vaag verklaard over zijn gestelde identiteitsgroei en de reden van deze groei. Verder heeft hij willens en wetens onjuiste verklaringen afgegeven. Hij had namelijk in de eerste procedure verklaard dat hij in Niger getrouwd was en een kind had; pas in deze procedure heeft hij gezegd dat dat niet waar is. Daarnaast wijken de correcties en aanvullingen af van de verklaringen tijdens het gehoor en eiser heeft daar geen goede verklaring voor. De stukken die eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteitsgroei (foto’s, appjes, twee verklaringen van zijn partner en een kaartje van de buurvrouw van zijn partner) zijn volgens verweerder onvoldoende om eisers identiteitsgroei geloofwaardig te achten.
6.3.
De aanvraag is kennelijk ongegrond verklaard. [5] De aanvraag is namelijk een opvolgende aanvraag, die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Aan eiser waren in 2013 al een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd, die zijn nog steeds geldig.
Gronden van eiser
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte zijn gestelde identiteitsgroei niet geloofwaardig acht. Eiser vindt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
7.1.
Zo heeft verweerder ten onrechte geoordeeld dat de verklaringen over eisers relatie met zijn partner en zijn identiteitsgroei summier en oppervlakkig zijn. Ook is er volgens eiser te weinig doorgevraagd over de wijze waarop eiser en zijn partner emotionele invulling geven aan hun relatie. Daarbij is onvoldoende rekening gehouden met eisers referentiekader als analfabeet en zijn verbale mogelijkheden. Vanwege zijn referentiekader kan niet van hem verwacht worden dat hij direct en uitputtend een volledige schets kan geven van zijn relatie en zijn identiteitsgroei. De vragen hadden concreter gesteld moeten worden, er had meer doorgevraagd moeten worden op de gegeven antwoorden en zijn antwoorden hadden in onderlinge samenhang moeten worden gewogen. Een groot deel van de verklaringen van eiser hierover is niet meegenomen in de besluitvorming. Eiser is van mening dat in het bestreden besluit een kenbare motivering ontbreekt waarom deze verklaringen het oordeel over het serieuze liefdeskarakter van de relatie niet verandert. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende rekening gehouden met de overgelegde stukken.
7.2.
Tevens had verweerder eiser niet mogen tegenwerpen dat hij nu voor het eerst naar voren heeft gebracht dat hij geen vrouw en kind heeft. Volgens eiser toont dit juist zijn groei aan, omdat hij na zoveel jaren nu eindelijk zo ver is om volledig open te zijn over zijn verleden en zijn geaardheid.
7.3.
Daarnaast wijken de verklaringen uit de correcties en aanvullingen niet af van de verklaringen van eiser. Zijn verklaringen zijn slechts geduid en in de juiste context geplaatst in het licht van zijn overige verklaringen. De aanvullingen en correcties hadden dan ook zonder meer meegenomen dienen te worden in het besluit en gemotiveerd dienen te worden weerlegd.
7.4.
Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat zijn partner door verweerder gehoord had moeten worden.
Juridisch kader
8. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling ligt in lhbti-zaken het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. Dit geldt temeer in een geval als dit, waarbij de vreemdeling al in een eerdere procedure heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en ook bekend is met de redenen waarom hij zijn gestelde seksuele gerichtheid destijds niet aannemelijk heeft weten te maken. Dat laat echter onverlet dat verweerder een integrale beoordeling moet verrichten en dat de vreemdeling zijn ontoereikende verklaringen kan compenseren met andere verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal. [6]
8.1.
Het is ook vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een vreemdeling zelden overtuigend bewijs kan leveren van zijn seksuele gerichtheid. Naar zijn aard leent een seksuele gerichtheid als asielmotief zich ook minder voor bewijsvoering: het gaat immers om wat iemand innerlijk voelt, denkt of gelooft. Meer nog dan bij andere asielmotieven, zijn de eigen verklaringen van een vreemdeling die een seksuele gerichtheid als asielmotief naar voren brengt dan ook van wezenlijk belang. Het is daarom aan de vreemdeling om vooral aan de hand van zijn verklaringen zijn gestelde seksuele gerichtheid aannemelijk te maken. Hij is immers als geen ander in staat inzicht te bieden in wat hij innerlijk denkt of voelt. Door de wijze waarop de verweerder het onderzoek naar en de beoordeling van een gestelde seksuele gerichtheid heeft ingericht, is een vreemdeling ook daadwerkelijk in staat om met alleen zijn verklaringen zijn gestelde seksuele gerichtheid aannemelijk te maken. Het uitgangspunt dat eiser zijn seksuele gerichtheid vooral met eigen verklaringen aannemelijk moet maken, laat onverlet dat bepaalde stukken van derden kunnen dienen als ondersteunend bewijs. Dit betekent dat die stukken, afhankelijk van de door een vreemdeling afgelegde verklaringen, het overige bewijs en de daarover geformuleerde tegenwerpingen, ertoe kunnen leiden dat een vreemdeling zijn seksuele gerichtheid ondanks ontoereikende verklaringen toch aannemelijk heeft gemaakt. [7]
Heeft verweerder eisers gestelde identiteitsgroei ongeloofwaardig mogen vinden?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers verklaringen ten aanzien van zijn gestelde identiteitsgroei niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
9.1.
Allereerst volgt de rechtbank eiser niet in het standpunt dat het gehoor onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het gehoor heeft bijna de hele dag geduurd, waarmee eiser voldoende tijd is gegeven om zijn verhaal te doen. Eiser heeft tijdens de gehoren verklaard dat hij is gegroeid ten aanzien van zijn homoseksualiteit. Verweerder heeft daarop doorgevraagd wat die groei dan inhield, maar eiser heeft daarop steeds korte en zeer algemene antwoorden gegeven. Verweerder heeft eiser voldoende uitgebreid bevraagd over eisers relatie met zijn partner. Ook daarop heeft eiser zeer algemene antwoorden gegeven, terwijl het wel al om een zeer langdurige relatie zou gaan. Verweerder heeft op meerdere momenten ook gevraagd wat eiser precies bedoelt met bepaalde antwoorden. [8] Aan eiser is tevens voorgehouden dat zijn antwoorden vrij algemeen zijn en hem is expliciet gevraagd, en daarmee de mogelijkheid geboden, wat dieper of uitgebreider op de vragen in te gaan. [9] Daarbij heeft verweerder met de duur van het gehoor en de wijze van vraagstelling ook voldoende rekening gehouden met de persoonlijke situatie van eiser.
9.2.
Verder heeft verweerder in de besluitvorming duidelijk aangegeven waarom eisers verklaringen niet aannemelijk of onvoldoende overtuigend zijn en wat er in dat verband van eiser mocht worden verwacht. Daarbij heeft verweerder mee mogen wegen dat eiser al geruime tijd in Nederland is, en zelf zegt een ontwikkeling te hebben doorgemaakt in zijn seksualiteit. Eiser heeft die ontwikkeling vooral beschreven als ‘vrijheid’, dat hij zich niet meer schaamt en zich vrijer voelt en dat hij het nu aan iedereen kan vertellen. Eiser heeft verklaard dat dat onder andere komt omdat hij heeft gezien dat homoseksuele mensen hand in hand over straat kunnen lopen. Gelet op het feit dat eiser eerder heeft verklaard dat hij in 2013 ook al seksuele relaties met mannen had en dat hij in die periode ook al een relatie van enkele jaren met een vaste partner had gehad, en gelet op het feit dat hij in die periode ook al naar de Pride was geweest, mag van eiser verwacht worden dat hij zo’n tien jaar later meer kan verklaren en meer inzicht kan geven in zijn gedachtes en gevoelens en dat hij uitleg kan geven waaruit die ontwikkeling bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de ingebrachte stukken ten onrechte niet meegewogen?
10. Eiser voert aan dat de stukken die hij heeft ingebracht, op positieve wijze hadden moeten worden betrokken bij de besluitvorming. Hij heeft de volgende documenten ingebracht ter ondersteuning van zijn asielrelaas:
 Twee verklaringen van eisers partner;
 Foto’s van eiser met zijn partner;
 WhatsApp-berichten tussen eiser en zijn partner;
 Foto’s van eiser met de familie van zijn partner;
 Een screenshot van een WhatsApp-groep ‘ [naam] ’;
 Foto’s van eiser en anderen op de Pride;
 Een brief van de buurvrouw van de partner van eiser.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder kenbaar heeft gemotiveerd hoe rekening is gehouden met de ingebrachte stukken. Zoals overwogen onder overweging 9.1 en 9.2., heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser te veel in algemeenheden en onvoldoende persoonlijk heeft verklaard over zijn identiteitsgroei. Daar komt bij dat de ingebrachte stukken naar hun aard ook te summier, oppervlakkig en onvoldoende zijn om eisers geaardheid en identiteitsgroei aannemelijk mee te maken.
10.2.
De verklaringen van de partner zijn zeer kort en beschrijven slechts praktisch hoe lang ze elkaar kennen en hoe vaak ze elkaar zien en daarnaast
“Ik omschrijf onze relatie als een liefdesrelatie. Het is een leuke man, we hebben het leuk samen en we kunnen elkaar een beetje plagen. Ik ben stapelgek op hem. We kunnen alles tegen elkaar zeggen”en
“Wij hebben een goede relatie, zowel geestelijk als lichamelijk. Wij zijn echt verliefd op elkaar, wij kunnen niet zonder elkaar. Het is de bedoeling om samen te gaan wonen. Als hij weer weggaat dan geven we elkaar een knuffel en een zoen.”Hieruit blijkt niet hoe eiser en zijn partner vorm geven aan hun langdurige relatie en hoe die relatie zich heeft ontwikkeld. De foto’s van eiser met zijn partner zijn enkele selfies in en rond het huis, ook daaruit kan niet worden opgemaakt wat de aard en inhoud van de relatie is en of sprake is van een romantische liefdesrelatie. Verder zijn de berichten tussen eiser en zijn partner zeer summier. Het gaat om slechts enkele berichten in ongeveer een jaar tijd. De berichten zijn slechts praktisch van aard en daaruit blijkt niet van een liefdesrelatie. Dat eiser analfabeet is, is hiervoor onvoldoende verklaring, hij heeft de wél gestuurde berichten immers wel kunnen schrijven en had bovendien ook met foto’s of emoji’s uitdrukking kunnen geven aan zijn liefde.
10.3.
Uit de foto’s met de familie van de partner kan wellicht worden opgemaakt dat eiser de familie heeft ontmoet (kennelijk op een verjaardag), maar hier kan zijn seksuele geaardheid en identiteitsgroei niet uit worden opgemaakt. Ook de foto’s van de Pride zijn niet voldoende om de seksuele geaardheid en identiteitsgroei van eiser uit op te maken. De Pride is immers voor iedereen toegankelijk, ongeacht seksuele gerichtheid. Bovendien was eiser daar ten tijde van zijn eerdere aanvraag ook al geweest, zodat zijn aanwezigheid op de Pride ook niets zegt over zijn groei. Ook het screenshot van de WhatsApp-groep genaamd “ [naam] ” is daarvoor niet voldoende. Uit het screenshot kan immers niet worden opgemaakt dat eiser deel uitmaakt van deze groep. En ook als dit wel zo zou zijn, kan uit enkel de deelname aan deze WhatsApp-groep niet de seksuele geaardheid en identiteitsgroei van eiser worden opgemaakt. Tot slot is ook de verklaring van de buurvrouw zeer summier. Daaruit blijkt niet dat sprake is van een liefdesrelatie.
10.4.
Verweerder heeft daarom in de ingebrachte stukken geen aanleiding hoeven zien om de gestelde identiteitsgroei van eiser alsnog geloofwaardig te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder de partner van eiser moeten horen?
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de partner van eiser te horen. Uit Werkinstructie 2019/17 blijkt dat verweerder er in twijfelgevallen voor kan kiezen om een derde te horen. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen is in dit deze zaak geen sprake van een twijfelgeval. Het is dus niet onzorgvuldig dat verweerder de partner van eiser niet heeft gehoord. De beroepsgrond slaagt niet.
De overige beroepsgronden
12. Ten aanzien van de overige beroepsgronden van eiser het volgende. Eiser heeft nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte aanneemt dat de verklaringen van eiser te veel afwijken van de correcties en aanvullingen. Ook had verweerder volgens eiser niet tegen mogen werpen dat hij nu voor het eerst naar voren heeft gebracht dat hij geen vrouw en kind heeft. De rechtbank is van oordeel dat de motivering van verweerder aan de hand van de verklaringen en overgelegde stukken van eiser voldoende dragend is voor het oordeel dat de gestelde identiteitsgroei ongeloofwaardig is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
14. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van
een voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
15. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.50396,
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.50397,
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.AWB 15/20530 en AWB 15/20531, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBDHA:2016:2273.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.201602162/1/V2, deze uitspraak is niet gepubliceerd.
4.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).
5.Artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw.
8.Zie pagina 6 t/m 8 van het gehoor opvolgende aanvraag.
9.Zie bijvoorbeeld pagina 12 van het gehoor opvolgende aanvraag.