Eiseres, een Mongoolse nationaliteit houdende vrouw, diende een opvolgende asielaanvraag in met een verzoek om heroverweging van eerdere afwijzingen en een verzoek om een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden. De minister wees de asielaanvraag en het verzoek om heroverweging af en beoordeelde het verzoek om verblijfsvergunning niet.
De rechtbank oordeelt dat eiseres geen vluchteling is op grond van het Vluchtelingenverdrag omdat haar politieke overtuiging niet aannemelijk leidt tot een gegronde vrees voor vervolging. De minister mocht daarom de asielaanvraag en het verzoek om heroverweging afwijzen. Wel heeft de minister ten onrechte het verzoek om een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden niet beoordeeld.
De rechtbank vernietigt het besluit voor zover het niet op dit verzoek beslist en draagt de minister op binnen acht weken een nieuwe beslissing te nemen. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod mogen gehandhaafd blijven. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover niet is beslist op het verzoek om een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53656
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag [1] en het verzoek om heroverweging van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag en het verzoek om heroverweging.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag en de afwijzing van het verzoek om heroverweging in stand kunnen blijven. Eiseres is vanwege haar politieke overtuiging geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en zij heeft haar politieke overtuiging pas in deze asielprocedure voor het eerst aangevoerd, zodat de minister geen reden heeft hoeven zien om de afwijzing van de eerdere asielaanvraag van eiseres te heroverwegen. De minister mocht om die reden ook het terugkeerbesluit en inreisverbod van eiseres handhaven. Eiseres heeft bij haar opvolgende asielaanvraag echter ook gevraagd om te toetsen of zij in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd vanwege schrijnende omstandigheden. Hierover heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij dat verzoek bij een opvolgende aanvraag niet hoeft te beoordelen. De minister zal dat verzoek daarom nog moeten beoordelen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop van deze zaak. Omdat het gaat om de derde asielaanvraag van eiseres, geeft de rechtbank onder 3 eerst kort weer welke procedures zij eerder heeft doorlopen. Onder 4 staat wat eiseres aan haar asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd en onder 5 staat waarom de minister de asielaanvraag van eiseres heeft afgewezen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 6. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 10 september 2024 een opvolgende asielaanvraag en een verzoek om heroverweging van het afwijzende asielbesluit van 11 september 2009 en het besluit tot ongewenstverklaring van 6 september 2010 ingediend. Eiseres heeft op 27 oktober 2025 tevens gevraagd om een verblijfsvergunning op grond van schrijnende omstandigheden. Met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 heeft de minister de opvolgende asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, de verzoeken om heroverweging afgewezen en het verzoek van eiseres om een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden niet beoordeeld.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.54056, op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere procedures
3. Eiseres heeft op 17 november 2006 een eerste asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 11 september 2009 afgewezen als ongegrond. Verder heeft de minister eiseres met het besluit van 28 januari 2010 ongewenst verklaard en deze ongewenstverklaring met het besluit van 6 september 2010 op het bezwaar van eiseres in stand gelaten. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en haar ongewenstverklaring. Deze zittingsplaats van de rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen die besluiten met de uitspraak van 24 februari 2011 ongegrond verklaard, [2] waarna de besluiten zijn komen vast te staan.
3.1.
Eiseres heeft vervolgens op 27 januari 2019 een tweede asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 23 januari 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft in eerste instantie beroep ingesteld tegen dat besluit, maar dat beroep vervolgens ingetrokken. Daarmee is ook dit besluit vast komen te staan.
Het asielrelaas
4. Eiseres heeft de Mongoolse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1969. Zij legt aan haar opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft in Mongolië te vrezen vanwege haar politieke overtuiging, omdat zij zich keert tegen de Mongoolse Volkspartij (de communistische partij van Mongolië). Als gevolg hiervan heeft eiseres ongeveer twintig jaar geleden, voordat zij in 2006 naar Nederland kwam, problemen gehad met de directeur van het ziekenhuis waar zij werkte. Deze directeur – die aanhanger is van de Mongoolse Volkspartij – heeft toen geprobeerd om de schuld van een incident tijdens een operatie in de schoenen van eiseres te schuiven en eiseres zo weg te krijgen. Bij terugkeer zal eiseres zich tegen de Mongoolse Volkspartij uitspreken en gaan demonstreren, waardoor zij het risico loopt om te worden opgepakt.
Het bestreden besluit
5. Volgens de minister heeft eiseres relevante nieuwe elementen en bevindingen aan haar aanvraag ten grondslag gelegd. Daarom heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van eiseres inhoudelijk beoordeeld. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Politieke overtuiging.
5.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide asielmotieven geloofwaardig zijn, maar dat deze niet tot de conclusie leiden dat eiseres als gevolg hiervan bij terugkeer naar Mongolië te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. Daarom komt eiseres niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Omdat het gaat om een opvolgende asielaanvraag, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [3] Daarnaast heeft de minister het verzoek om heroverweging van de eerdere afwijzende asielbeschikking en de ongewenstverklaring afgewezen en het verzoek van eiseres om een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden niet beoordeeld.
Mocht de minister de opvolgende asielaanvraag afwijzen omdat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft?
6. Eiseres betoogt dat de minister haar opvolgende asielaanvraag niet mocht afwijzen, omdat zij vanwege haar politieke overtuiging een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiseres is in het verleden lid geweest van de Democratische Partij van Mongolië, heeft voor die partij activiteiten verricht en is daardoor in de negatieve belangstelling van de Mongoolse autoriteiten komen te staan. Nog afgezien van het feit dat eiseres niet is bevraagd over de activiteiten die zij in Mongolië heeft verricht, heeft de minister niet onderkend dat hierdoor sprake is van een sterke politieke overtuiging. [4] Dat eiseres al negentien jaar buiten Mongolië verblijft en geen rol meer speelt in de politieke situatie daar, doet daar volgens eiseres niet aan af. Het had daarom op de weg van de minister gelegen om te motiveren dat niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer niet opnieuw politiek actief zal worden, zeker gelet op de verklaring van eiseres dat zij “meer dan ooit gedreven is om het onrecht aan de kaak te stellen.”
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres op grond van haar politieke overtuiging geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Bij de vraag of dat het geval is, beoordeelt de minister allereerst of de vrees van eiseres – dus dat zij op grond van haar politieke overtuiging problemen krijgt als zij terugkeert naar Mongolië – aannemelijk is. Daarbij zijn onder meer van belang hoe sterk de politieke overtuiging van eiseres is, welke activiteiten zij heeft verricht en of sprake is van een tijdsverloop. [5] Eiseres heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat zij sinds 1998 in Mongolië aan verschillende demonstraties heeft deelgenomen, maar dat zij in Nederland – waar zij sinds oktober 2006 verblijft [6] – niet meer heeft deelgenomen aan politieke activiteiten. [7] Eiseres geeft dus al bijna twintig jaar geen uiting (meer) aan haar politieke overtuiging. Alleen al daarom werpt de minister terecht aan eiseres tegen dat haar politieke overtuiging niet sterk is en dat het niet aannemelijk is dat zij haar politieke overtuiging bij terugkeer naar Mongolië wél actief gaat uitdragen. Het is, anders dan eiseres stelt, aan haar om het tegendeel aannemelijk te maken. [8] Gelet op dit tijdsverloop ziet de rechtbank ook geen reden voor het oordeel dat de minister tijdens het gehoor meer aandacht had moeten besteden aan de politieke activiteiten van eiseres in Mongolië dan hij nu heeft gedaan. Daar komt nog bij dat eiseres in beroep ook niet nader heeft toegelicht welke activiteiten zij in Mongolië heeft verricht, zodat de rechtbank niet inziet waarover de minister eiseres dan nader had moeten bevragen.
Mocht de minister het verzoek om heroverweging afwijzen?
7. Eiseres betoogt dat de minister haar verzoek om heroverweging ten onrechte heeft afgewezen. De minister had namelijk eerst moeten beoordelen of sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden, voordat hij toekomt aan de vraag of afwijzing van het verzoek om heroverweging evident onredelijk is. [9] In de eerste asielprocedure heeft geen beoordeling plaatsgevonden van de politieke overtuiging van eiseres, terwijl zij destijds wel heeft verklaard politiek actief te zijn. Gelet op het arrest SA van het Hof van Justitie [10] had de minister alsnog moeten beoordelen of eiseres op grond van haar politieke overtuiging in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.
7.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond voorop dat eiseres twee verzoeken om heroverweging heeft gedaan: een verzoek om heroverweging van de afwijzing van haar eerste asielaanvraag (het besluit van 11 september 2009) en een verzoek om heroverweging van haar ongewenstverklaring (het besluit van 28 januari 2010 en het besluit op bezwaar van 6 september 2010). Uit het bestreden besluit leidt de rechtbank af dat de minister beide verzoeken heeft afgewezen. In beroep heeft eiseres geen gronden gericht tegen de afwijzing van het verzoek om heroverweging van haar ongewenstverklaring, zodat de rechtbank alleen beoordeelt of de minister het verzoek om heroverweging van de eerste asielaanvraag mocht afwijzen.
7.2.
Het betoog van eiseres slaagt niet. Een verzoek tot heroverweging van de afwijzing van een eerdere asielaanvraag slaagt als de minister op basis van later verkregen informatie moet terugkomen op deze afwijzing, omdat uit die informatie blijkt dat de vreemdeling ten tijde van de eerdere asielaanvraag wél voldeed aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Deze informatie moet echter wel zien op het asielrelaas dat aan die eerdere asielaanvraag ten grondslag is gelegd. Een verzoek tot heroverweging kan dus niet strekken tot uitbreiding van het asielrelaas. [11] Uit het voornemen van 8 juli 2009 en het besluit van 11 september 2009 blijkt niet dat de politieke overtuiging van eiseres onderdeel was van het asielrelaas van de eerste asielaanvraag of dat deze destijds is beoordeeld. Voor zover eiseres vindt dat haar politieke overtuiging destijds wel onderdeel was van het asielrelaas en daarom had moeten worden beoordeeld, had het op haar weg gelegen om dat in haar beroep tegen het besluit van 11 september 2009 aan te voeren. Alleen al daarom stelt de minister zich terecht (impliciet) op het standpunt dat het arrest SA geen ‘nieuw feit’ is dat moet leiden tot heroverweging van de eerdere asielaanvraag. Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiseres in het nader gehoor van haar eerste asielaanvraag weliswaar heeft verklaard dat zij “indirect” problemen heeft ondervonden vanwege haar politieke overtuiging, [12] maar dat zij in datzelfde gehoor ook heeft verklaard dat deze problemen voor haar geen aanleiding waren om Mongolië te verlaten. [13] Ook om die reden stelt de minister terecht dat het arrest SA in het geval van eiseres geen ‘nieuw feit’ is.
Had de minister ambtshalve moeten toetsen of eiseres vanwege schrijnende omstandigheden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning?
8. Eiseres betoogt dat de minister niet heeft onderkend dat hij aan de Vw 2000 een rechtstreekse bevoegdheid ontleent om een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden te verlenen. [14] Volgens eiseres kon de minister in het bestreden besluit daarom niet volstaan met de enkele verwijzing naar artikel 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarin is bepaald dat een dergelijke verblijfsvergunning slechts bij een eerste asielaanvraag ambtshalve kan worden verleend. De minister heeft de rechtbank op 19 januari 2026 laten weten dat dit standpunt niet houdbaar is. De rechtbank leidt uit deze reactie af dat partijen het in ieder geval eens zijn dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden. De minister zal die beoordeling alsnog moeten maken en het bestreden besluit komt daarom op dit punt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet echter geen reden om, zoals de minister heeft verzocht, de behandeling van het beroep om deze reden aan te houden. De minister kon desgevraagd niet aangegeven voor hoe lang de behandeling van het beroep zou moeten worden aangehouden en daarnaast had het de minister – gelet op de door hem aangehaalde brief van 27 augustus 2025 [15] – al lange tijd duidelijk kunnen zijn dat zijn standpunt in het bestreden besluit niet houdbaar is. Verder heeft eiseres zich tegen toewijzing van het aanhoudingsverzoek verzet en staat de vraag of eiseres in aanmerking komt voor deze verblijfsvergunning los van de afwijzing van haar asielaanvraag en de afwijzing van haar verzoeken om heroverweging. De rechtbank kan daarom in ieder geval over die onderwerpen al een oordeel geven en dus uitspraak doen.
Mocht de minister het terugkeerbesluit en het inreisverbod handhaven?
9. Eiseres betoogt dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod in strijd zijn met de artikelen 5 en 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn en dat de minister deze besluiten niet had mogen handhaven. De minister is gedurende de negentien jaar die eiseres in Nederland verblijft niet overgegaan tot uitzetting en heeft het familie- en gezinsleven van eiseres met haar partner gedoogd. Hoewel eiseres de plicht heeft om Nederland te verlaten, heeft de minister ook de plicht om het terugkeerbesluit uit te voeren. De minister heeft dat gedurende negentien jaar niet gedaan, zodat het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet langer gehandhaafd kunnen blijven.
9.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij het terugkeerbesluit en het inreisverbod mocht handhaven. Het uitgangspunt is dat eiseres na het uitvaardigen van een terugkeerbesluit zelf uit de Europese Unie vertrekt, maar daar heeft zij geen gevolg aan gegeven. In het enkele feit dat de minister niet tot (gedwongen) uitzetting is overgegaan, ziet de rechtbank geen reden om eiseres van de verplichting te ontslaan om de Europese Unie te verlaten en dus geen reden voor het oordeel dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet mochten worden gehandhaafd. Bovendien heeft eiseres sinds 2019 nog enkele aanvragen om een verblijfsvergunning gedaan, zodat de minister ook enige tijd niet tot uitzetting van eiseres kon overgaan. [16] Die omstandigheid kan niet voor risico van de minister komen. Van strijd met de artikelen 5 en 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn is dan ook niet gebleken.
10. Tot slot en ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de omstandigheid dat de minister – gelet op wat onder 8 is overwogen – alsnog moet beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden, ook geen reden vormt voor het oordeel dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet in stand kunnen blijven. Uit wat onder 6.1, 7.1 en 7.2 is overwogen, volgt namelijk dat de minister de opvolgende asielaanvraag en de verzoeken om heroverweging mocht afwijzen. Deze kunnen daarom in ieder geval geen reden zijn om het terugkeerbesluit en het inreisverbod op te heffen. De minister moet nu nog beoordelen of eiseres vanwege schrijnende omstandigheden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Voor zover in eiseres in afwachting van die beslissing rechtmatig verblijf heeft, is dat procedureel van aard. Daarom ziet de rechtbank niet in waarom het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet gehandhaafd zouden kunnen blijven. Als de minister uiteindelijk een verblijfsvergunning aan eiseres verleent, ligt het voor de hand om het terugkeerbesluit en inreisverbod op dat moment op te heffen. [17]
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond, omdat de minister niet heeft beslist op het verzoek van eiseres om een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden. Dat betekent dat eiseres op dit punt gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt voor zover daarin niet op dit verzoek is beslist. De rechtbank zal de minister daarom opdragen om binnen acht weken een beslissing op dit verzoek te nemen.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk € 934). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin niet is beslist op het verzoek van eiseres om een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op dit verzoek te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Zoals bedoeld in artikel 28 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Rb. ’s-Gravenhage (zp Arnhem) 24 februari 2011, zaaknummers AWB 09/36117 en AWB 10/31422 (niet gepubliceerd).
3.Dat is mogelijk op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.
4.Eiseres wijst op het Informatiebericht (IB) 2024/10, p. 4.
5.Zie paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) en het IB 2024/10, p. 2.
6.Zie het verslag van het eerste gehoor van 20 november 2006, p. 9.
7.Zie het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 24 oktober 2025, p. 8 en 10.
8.Dat volgt uit artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000.
9.Eiseres wijst op het IB 2025/6.
10.HvJEU 21 september 2023, C-151/22, ECLI:EU:C:2023:688 (
15.Het gaat om de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 27 augustus 2025 met kenmerk 6696533 (https://open.overheid.nl/documenten/335790d1-1eb8-495e-b94a-53c7820e01f7/file).