ECLI:NL:RBDHA:2026:3380
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit en bevriezingsmaatregel voor derdelander Oekraïne
Eiser, een Nigeriaanse derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na de inval in Oekraïne. De minister van Asiel en Migratie nam op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit dat eiser na 4 maart 2024 moest verlaten. Vanwege onduidelijkheid over de beëindiging van tijdelijke bescherming werd dit besluit bevroren tot 4 september 2025, maar bleef gelden voor lopende procedures.
Op 4 augustus 2025 nam de minister een vervangend terugkeerbesluit waarin het eerdere besluit als prematuur werd erkend en eiser werd opgedragen binnen vier weken Nederland te verlaten. Eiser keerde vrijwillig terug naar Nigeria op 9 december 2025. Hij voerde aan dat beide besluiten prematuur waren en dat zijn recht op familie- en privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro werd geschonden. Tevens verzocht hij om intrekking van het terugkeerbesluit en de SIS-signalering.
De rechtbank oordeelde dat het vervangend besluit rechtmatig was, dat eiser geen beschermenswaardig familie- of privéleven in Nederland had opgebouwd en dat de SIS-signalering conform EU-verordening terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar vanwege het te vroeg genomen oorspronkelijke besluit werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding wegens het prematuur genomen oorspronkelijke besluit.