Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:3670

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
11524120 \ CV EXPL 25-328
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WaadiArt. 8a WaadiArt. 1 lid 1 sub e WaadiArt. 1 lid 1 sub c WORArt. 6 sub b Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen inzake toepassing artikelen 8 en 8a Waadi op internationale organisatie

De zaak betreft een werknemer die vorderingen instelt tegen twee uitleenbureaus die hem via raamovereenkomsten ter beschikking stelden aan een internationale, intergouvernementele organisatie. De werknemer stelt dat hij recht heeft op gelijke arbeidsvoorwaarden als werknemers van de organisatie op grond van de artikelen 8 en 8a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi).

De rechtbank onderzoekt of de Waadi van toepassing is en of de organisatie als onderneming in de zin van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) kan worden aangemerkt. De organisatie is een bij verdrag opgerichte internationale organisatie waarvan het personeel niet in dienst is op basis van een arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling zoals bedoeld in de WOR.

De kantonrechter concludeert dat de organisatie geen onderneming is in de zin van de WOR en dat de artikelen 8 en 8a Waadi daarom niet van toepassing zijn. Hierdoor heeft de werknemer geen belang bij zijn vorderingen en worden deze afgewezen. De werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af omdat de artikelen 8 en 8a Waadi niet van toepassing zijn op de internationale organisatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leiden
Zaaknummer: 11524120 \ CV EXPL 25-328
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. A. Hiebendaal (voorheen mr. J. Yorzhits-Zandstra),
tegen

1.de rechtspersoon naar buitenlands recht [bedrijfsnaam 1] LTD.,

gevestigd te Cardiff (Verenigd Koninkrijk),
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijfsnaam 2] B.V.,
gevestigd te Katwijk,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] en gezamenlijk als [gedaagde partijen] c.s.,
gemachtigden: mr. K. van Kranenburg-Hanspians en mr. S. van den Born.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 januari 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de brief van 27 mei 2025 van de gemachtigde van [gedaagde partijen] c.s. met aanvullende producties;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de brief van 27 augustus 2025 van de gemachtigde van [gedaagde partijen] c.s. met aanvullende producties;
- de mondelinge behandeling van 4 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitaantekeningen van de gemachtigden van partijen ten behoeve van de mondelinge behandeling van 4 september 2025;
- de akte uitlaten met betrekking tot de mondelinge behandeling van [eisende partij] ;
- de akte met producties van [gedaagde partijen] c.s.;
- de brief met bijlage van 15 december 2025 van de gemachtigde van [eisende partij] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] zijn beiden uitleenbureaus die arbeidskrachten ter beschikking stellen aan de [organisatie] (hierna: [organisatie] ) middels hierover met [organisatie] gesloten raamovereenkomsten, waaronder het EFC2 contract. De terbeschikkingstelling van werknemers aan [organisatie] vindt plaats op basis van Manpower Assignment Scheme (‘MAS’) dan wel op basis van ‘Service’.
2.2.
[organisatie] is een op 30 mei 1975 bij Verdrag opgerichte internationale, intergouvermentele organisatie. In artikel XII lid 3 sub b van dit verdrag staat:
“De overige personeelsleden worden benoemd of ontslagen door de Directeur-Generaal, die daarbij handelt op gezag van de Raad.”
In artikel 8 van Pro het Verdrag tussen Nederlanden en [organisatie] van 21 februari 2008 (ESTEC-Verdrag) is het volgende bepaald:
“Without prejudice to the provisions of the Convention and Annex I thereto and to any relevant complementary agreement between the Government and the Agency, the laws of the Netherlands shall apply within the premises and to the activities of the Agency carried out on the territory of the Netherlands.”
2.3.
[eisende partij] , geboren op [geboortedatum] 1974, is op 1 januari 2001 bij [bedrijfsnaam 1] in dienst getreden. Hij is op die datum bij [organisatie] in [plaats] tewerk gesteld in de functie van ‘Logistics and Exhibition Support Officer’.
2.4.
Per 1 april 2009 hebben [bedrijfsnaam 1] en [eisende partij] een herziene arbeidsovereenkomst gesloten. Daarbij is de functienaam van [eisende partij] gewijzigd in ‘Technical Officer Services for Logistics, Production and Exhibitions’.
2.5.
Bij e-mail van 25 maart 2020 heeft [bedrijfsnaam 1] haar werknemers geschreven dat
‘the MAS model under the EFC2 contract constitutes payrolling within the definition of the Wet Arbeidsmarkt in Balans (“WAB”)’.
2.6.
Per 1 januari 2021 is [eisende partij] in dienst getreden bij [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 3] ). De arbeidsovereenkomst met [bedrijfsnaam 1] is op die datum geëindigd.
2.7.
Op 15 december 2021 is de arbeidsovereenkomst van 1 januari 2021 herzien. Op basis van die herziening was hij bij [organisatie] tewerk gesteld in de functie van ‘Programme/Project Controller’. Het laatstverdiende loon van [eisende partij] bedroeg € 7.240,61 per maand.
2.8.
In zijn brief van 10 mei 2022 heeft de heer [naam] , bestuurder bij CNV, [bedrijfsnaam 3] geschreven dat het lijkt dat zij de artikelen 8 en 8a Waadi niet naleeft bij de leden van CNV die werkzaam zijn bij [organisatie] .
2.9.
Bij brief van 13 februari 2023 is [bedrijfsnaam 3] door CNV verzocht aan te geven of de inlenersbeloningssystematiek van [organisatie] zal worden toegepast en dat aan de betrokken leden, waaronder [eisende partij] , het achterstallig loon zal worden nabetaald.
2.10.
Dit verzoek is bij brief van 24 april 2023 door de (toenmalige) gemachtigden van [bedrijfsnaam 3] afgewezen.
2.11.
Bij brief van 29 november 2023 is [eisende partij] ervan op de hoogte gebracht dat de opdracht bij [organisatie] op 1 januari 2024 zou eindigen, als gevolg waarvan de werkzaamheden ophouden en de detachering bij [organisatie] wordt beëindigd.
2.12.
Bij brief van 8 januari 2024 is [eisende partij] medegedeeld dat [bedrijfsnaam 3] gefuseerd is met [bedrijfsnaam 2] en dat onder de naam [bedrijfsnaam 2] verder zal worden gegaan.
2.13.
Tussen partijen is nog verder gecorrespondeerd over het toepassen van de artikelen 8 en 8a Waadi, maar zij hebben daar geen overeenstemming over bereikt.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van [bedrijfsnaam 1] :
primair
1. voor recht te verklaren dat [eisende partij] in het kader van payrolling door [bedrijfsnaam 1] aan [organisatie] ter beschikking is gesteld op basis van een payrollovereenkomst en dat [eisende partij] met [bedrijfsnaam 1] een payrollovereenkomst heeft gehad;
subsidiair
indien geoordeeld wordt dat geen sprake is van payrolling:
2. Voor recht te verklaren dat [eisende partij] , gedurende het dienstverband met [bedrijfsnaam 1] , recht heeft op hetzelfde loon, de eenmalige uitkeringen en overige vergoedingen van werknemers van [organisatie] die in die periode in gelijke of gelijkwaardige functies als [eisende partij] hebben gewerkt;
primair en subsidiair
[bedrijfsnaam 1] te veroordelen:
3. tot betaling aan [eisende partij] van € 201.122,67 bruto ten titel van loon over 2019 en 2020, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW Pro;
4. tot betaling aan [eisende partij] van € 16.411,53 bruto ten titel van vakantiebijslag over het achterstallige loon van 2019 en 2020, zoals in sub 3 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW Pro;
5. tot betaling aan [eisende partij] van € 4.021,44 bruto ten titel van ontbrekende vakantie-uren over 2019 en 2020, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW Pro;
6. tot betaling aan [eisende partij] van € 20.911,68 bruto ten titel van 6% huishoudtoeslag van het maandelijkse salaris over 2019 en 2020, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW Pro;
7. tot het verstrekken van salarisspecificaties van de onder sub 3 t/m sub 6 gevorderde bedragen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat [bedrijfsnaam 1] hieraan niet voldoet;
8. tot betaling van de wettelijke rente over de onder sub 3 t/m sub 6 gevorderde bedragen vanaf de dag der opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;
9. tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.987,34;
10. in de proces- en nakosten.
Ten aanzien van [bedrijfsnaam 2] :
primair
11. voor recht te verklaren dat [eisende partij] in het kader van payrolling door [bedrijfsnaam 2] als rechtsopvolger van [bedrijfsnaam 1] aan [organisatie] ter beschikking is gesteld op basis van een payrollovereenkomst en dat [eisende partij] met [bedrijfsnaam 2] een payrollovereenkomst heeft gehad;
subsidiair
indien geoordeeld wordt dat geen sprake is van payrolling:
12. Voor recht te verklaren dat [eisende partij] , gedurende het dienstverband met [bedrijfsnaam 2] als rechtsopvolger van [bedrijfsnaam 1] in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023 recht heeft op hetzelfde loon, de eenmalige uitkeringen en overige vergoedingen van werknemers van [organisatie] die in die periode in gelijke of gelijkwaardige functies als [eisende partij] hebben gewerkt;
primair en subsidiair
[bedrijfsnaam 2] als rechtsopvolger van [bedrijfsnaam 1] te veroordelen:
13. tot betaling aan [eisende partij] van € 339.002,56 bruto ten titel van loon over 2021, 2022 en 2023, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW Pro;
13. tot betaling aan [eisende partij] van € 27.462,19 bruto ten titel van vakantiebijslag over het achterstallige loon, zoals in sub 13 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW Pro;
13. tot betaling aan [eisende partij] van € 4.274,88 bruto ten titel van ontbrekende vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW Pro;
13. tot betaling aan [eisende partij] van € 34.647,12 bruto ten titel van 6% huishoudtoeslag van het maandelijkse basissalaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW Pro;
13. tot het verstrekken van salarisspecificaties van de onder sub 13 t/m sub 16 gevorderde bedragen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat [bedrijfsnaam 2] hieraan niet voldoet;
13. tot betaling van de wettelijke rente over de onder sub 13 t/m sub 16 gevorderde bedragen vanaf de dag der opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;
13. tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.801,93;
13. in de proces- en nakosten.
3.2.
[eisende partij] legt, samengevat, het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Hij is in het kader van payrolling door [gedaagde partijen] c.s. aan [organisatie] ter beschikking gesteld op basis van een payrollovereenkomst. Hij was werkzaam in een gelijke of gelijkwaardige functie als werknemers in dienst van [organisatie] , zodat hij op grond van artikel 8a lid 1 Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) ten minste recht heeft op dezelfde arbeidsvoorwaarden als die gelden voor de werknemers in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst bij [organisatie] . Indien de kantonrechter mocht oordelen dat er geen sprake is van payrolling dan baseert [eisende partij] zijn vorderingen op artikel 8 Waadi Pro.
3.3.
[gedaagde partijen] c.s. voeren gemotiveerd verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de proces- en nakosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Internationaal karakter procedure jegens [bedrijfsnaam 1]
4.1.
Nu [bedrijfsnaam 1] gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk, draagt de procedure jegens [bedrijfsnaam 1] een internationaal karakter. Allereerst dient daarom de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering van [eisende partij] op [bedrijfsnaam 1] kennis te nemen. Nu [bedrijfsnaam 1] niet in een land van de Europese Unie gevestigd is, is artikel 4 herschikte Pro EEX Verordening (EU) nr. 1215/2012 niet van toepassing en wordt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordeeld aan de hand van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vordering van [eisende partij] op [bedrijfsnaam 1] is gebaseerd op een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Niet in geschil is dat hij zijn werkzaamheden uitvoerde in Nederland. De kantonrechter is van oordeel dat zij op grond van artikel 6 sub b van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht heeft. Op grond van artikel 100 Rv Pro is de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Leiden bevoegd van de vordering kennis te nemen, nu niet in geschil is dat [eisende partij] zijn werkzaamheden gewoonlijk verrichtte in Noordwijk.
4.2.
Met betrekking tot het toepasselijke recht overweegt de kantonrechter als volgt. Partijen zijn in artikel 11 lid 3 van Pro de tussen [bedrijfsnaam 1] en [eisende partij] gesloten arbeidsovereenkomsten de toepasselijkheid van het Nederlandse recht overeengekomen. Hiertegen is door [bedrijfsnaam 1] geen verweer gevoerd, zodat op de vorderingen van [eisende partij] op [bedrijfsnaam 1] het Nederlandse recht van toepassing is.
Is de Waadi van toepassing?
4.3.
[eisende partij] heeft zijn vorderingen gebaseerd op de artikelen 8 en 8a Waadi.
4.4.
[gedaagde partijen] c.s. hebben primair als verweer gevoerd dat deze artikelen niet van toepassing zijn omdat niet vast staat dat [organisatie] onder de reikwijdte valt van het begrip onderneming zoals gedefinieerd in artikel 1 sub e Waadi Pro jo. artikel 1 lid 1 sub c van Pro de Wet op de Ondernemingsraden (WOR). De internationale [organisatie] -Ambtenaren worden persoonlijk benoemd door [organisatie] . Zij hebben geen arbeidsovereenkomst noch een publiekrechtelijke aanstelling, aldus [gedaagde partijen] c.s.
4.5.
In artikel 8 lid 1 Waadi Pro staat:
“de arbeidskracht, dienietin het kader van payrolling ter beschikking is gesteld, heeft recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt”.
In artikel 8a lid 1 Waadi staat:
“de arbeidskracht, die in het kader van payrolling ter beschikking is gesteld, heeft recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt.”
In artikel 1 lid 1 sub e Waadi Pro staat:
“onder onderneming wordt verstaan: de onderneming, bedoeld in de Wet op de Ondernemingsraden.”
In artikel 1 lid 1 sub c WOR Pro staat:
“onder onderneming wordt verstaan: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht.”
4.6.
Om de artikelen 8 en 8a Waadi van toepassing te laten zijn moet [organisatie] kunnen worden aangemerkt als een onderneming in de zin van de WOR.
4.7.
Om een onderneming te zijn in de zin van de WOR moet voldaan zijn aan een drietal eisen:
  • i) er moet sprake zijn van een organisatorisch verband;
  • ii) die als zelfstandige eenheid in de maatschappij optreedt; en
  • iii) waarin krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht.
4.8.
Niet in geschil tussen partijen lijkt te zijn dat [organisatie] kan worden aangemerkt als een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband. Ook lijkt niet in geschil tussen partijen te zijn dat de [organisatie] -ambtenaren hun arbeid niet verrichten krachtens een arbeidsovereenkomst. Zij worden op grond van artikel XII lid 3 sub b van het [organisatie] -Verdrag benoemd door de Directeur-Generaal. Rest de vraag of binnen [organisatie] door de [organisatie] -ambtenaren arbeid wordt verricht krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de zin van de WOR.
4.9.
De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
4.10.
De definitie van het begrip onderneming in artikel 1 lid Pro 1 c WOR is op 13 april 2015 aangepast. Op die datum is tussen de woorden «arbeidsovereenkomst» en «arbeid» ingevoegd:
of krachtens publiekrechtelijke aanstelling(Stb. 1995, 231). Deze toevoeging strekt ertoe om (ook) de medezeggenschap van nagenoeg het hele overheidspersoneel onder het regiem van de WOR te brengen. In de Memorie van Toelichting staat hierover:

Thans heeft de opvatting post gevat dat de bijzondere positie van de overheid als werkgever niet zonder meer een rechtvaardiging is voor een van de marktsector afwijkende regeling. Dit heeft tot gevolg dat het stelsel van arbeidsverhoudingen bij de overheid steeds meer van een gelijkwaardige positie van werkgever(s) en werknemersorganisaties uitgaat en zich steeds meer richting marktsector ontwikkelt. Geheel in de lijn van deze ontwikkeling past het streven naar een marktconforme medezeggenschap bij de overheid, hetgeen inhoudt dat de medezeggenschap bij de overheid zo volledig mogelijk moet aansluiten bij die van de marktsector, tenzij de bijzondere positie van de overheid als werkgever tot afwijking noodzaakt en dat voor de overheid, conform de marktsector, één wettelijke medezeggenschapsregeling van kracht moet zijn.
(…)
Er is gekozen voor aansluiting bij de WOR, waardoor deze wet ook van toepassing wordt op zowel de rijksoverheid als de lagere overheden.”
De toevoeging
krachtens publiekrechtelijke aanstellingheeft tot gevolg dat een organisatorisch samenwerkingsverband, zoals een ministerie, een gemeente, een provincie en een waterschap als een ‘onderneming’ in de zin van de WOR kunnen worden aangemerkt waarvoor een ondernemingsraad kan worden ingesteld. Dit geldt ook voor andere samenwerkingsverbanden bij de overheid die zich naar buiten als een zelfstandige eenheid presenteren, zoals bijvoorbeeld het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, de Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringen, een gemeentelijke sociale dienst en een dienst gemeentewerken (MvT, vergaderjaar 1993-1994, 23 551, nr. 3 (herdruk), blz. 1-3).
4.11.
Uit het bovenstaande volgt dat de publiekrechtelijke aanstelling in de zin artikel 1 lid 1 sub c WOR Pro betrekking heeft op ambtenaren die voor de Nederlandse overheid arbeid verrichten. Dat het hierbij om de Nederlandse overheid gaat, vindt ook bevestiging in de Ambtenarenwet 1929, zoals die ten tijde van de wijziging van artikel 1 lid 1 sub c WOR Pro van toepassing was. Artikel 1 van Pro de Ambtenarenwet 1929 luidde destijds, voor zover hier relevant, als volgt (onderstreping kantonrechter):

1. Ambtenaar in den zin deze wet is hij, die is aangesteld in openbaren dienst om hier te lande werkzaam te zijn.
2. Tot den openbare dienst behooren alle diensten en bedrijvendoor den Staaten de openbare lichamen beheerd. (…)
[organisatie] betreft geen Nederlands overheidsorgaan, zodat [organisatie] -ambtenaren hun arbeid niet verrichten krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de zin van artikel 1 lid 1 sub c WOR Pro.
4.12.
Wellicht ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat ook in het geval aansluiting zou worden gezocht bij het begrip overheidswerkgever in het later in werking getreden artikel 2 lid 1 Ambtenarenwet Pro 2017, dit niet tot een ander oordeel zou leiden. In dit artikel wordt uitputtend opgesomd welke organisaties behoren tot de overheidswerkgevers. Dit zijn: (a) de staat, (b) de provincies, (c) de gemeenten, (d) de waterschappen, (e) de openbare lichamen voor beroep en bedrijf, (f) de andere openbare lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordenende bevoegdheid is toegekend, (g) de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking met een statutaire zetel in Nederland, (h) de overige krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen en (i) andere dan krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen, waarvan een orgaan is bekleed met openbaar gezag, waarbij de uitoefening van dat gezag de kernactiviteit van de rechtspersoon vormt. De Europese groeperingen voor territoriale samenwerking met een statutaire zetel in Nederland (EGTS) (onder g) zijn organisaties die zijn opgericht onder de voorwaarden en volgens de regelingen die in de Europese verordening (EG) nr. 1082/2006 (en zoals later gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1302/2013) zijn vastgesteld. [organisatie] is een bij verdrag opgerichte internationale intergouvermentele organisatie, welke categorie niet valt onder één van de in de uitputtende opsomming van artikel 2 lid 1 Ambtenarenwet Pro 2017 opgenomen organisaties.
4.13.
Nu [organisatie] -ambtenaren hun arbeid niet verrichten krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de zin van artikel 1 lid 1 sub c WOR Pro, is [organisatie] geen onderneming in de zin van dit artikel, zodat de artikelen 8 en 8a Waadi niet van toepassing zijn. Dit brengt met zich dat [eisende partij] geen belang meer heeft bij de door hem gevorderde verklaringen voor recht en dat al zijn vorderingen op [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] zijn af te wijzen.
Proceskosten
4.14.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 3.602,50 (2,5 punt x tarief € 1.441,00)
- nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
--------------
Totaal € 3.746,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af;
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 3.746,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Dam en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.