ECLI:NL:RBDHA:2026:3831

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
AWB 25/8886 en AWB 25/7064
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1a AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering overplaatsing naar minderjarigenopvang met instandhouding rechtsgevolgen

Eiser, die asielbescherming heeft aangevraagd en stelt minderjarig te zijn, werd door het COA geweigerd over te plaatsen naar een opvanglocatie voor minderjarigen. Het COA baseerde zich op een memo van de minister en het Keniaanse paspoort van eiser, waarin zijn meerderjarigheid werd aangenomen.

De rechtbank oordeelde eerder dat de minister ten onrechte geen onderzoek deed naar de minderjarigheid van eiser. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde echter dat de minister mocht uitgaan van meerderjarigheid. De rechtbank constateert dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is omdat verweerder niet zelfstandig onderzoek deed naar de leeftijd van eiser.

Hoewel het besluit wordt vernietigd, blijven de rechtsgevolgen in stand omdat de Afdeling inmiddels heeft vastgesteld dat eiser meerderjarig is. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering overplaatsing wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/8886 en AWB 25/7064
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [v-nummer],
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Tardjopawiro).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om hem over te plaatsen naar een opvanglocatie voor minderjarigen en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft eisers verzoek met het besluit van 15 april 2025 afgewezen. Met instemming van beide partijen heeft eiser tegen dit besluit rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. R. Koelman als gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Na het sluiten van het onderzoek is de rechtbank bekend geworden dat mr. R. Koelman per 5 januari 2026 is geschorst als advocaat, zodat hij niet langer optreedt als gemachtigde van eiser.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 22 november 2024 in Nederland asielbescherming aangevraagd. Eiser was in het bezit van een origineel Keniaans paspoort met als geboortedatum [geboortedatum 1] 2003. Eiser heeft in zijn asielprocedure echter gesteld dat hij dit paspoort onrechtmatig heeft verkregen en dat hij eigenlijk de Somalische nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum 2] 2008. Eiser stelt dus minderjarig te zijn.
2.1.
Verweerder heeft eiser op basis van de geboortedatum uit zijn Keniaanse paspoort geplaatst in een reguliere opvanglocatie voor meerderjarigen. Verweerder heeft eisers verzoek om overplaatsing naar een opvanglocatie voor minderjarigen geweigerd onder verwijzing naar een memo van de minister van Asiel en Migratie (de minister) van 8 april 2025. Daarin concludeert de minister dat eiser zijn gestelde minderjarigheid niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat het Keniaanse paspoort goed is bevonden en omdat Bureau Documenten geen uitspraak kon doen over de echtheid van verschillende Somalische documenten die eiser heeft overgelegd.
2.2.
Bij uitspraak van 26 februari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag gegrond verklaard. [2] De rechtbank heeft in deze uitspraak onder andere geoordeeld dat de minister ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de gestelde minderjarigheid van eiser.
2.3.
Bij uitspraak van 2 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bepaald dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. [3]
2.4.
Bij uitspraak van 21 november 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat de eerder aan eiser opgelegde vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig was. [4] De Afdeling heeft hierbij geoordeeld dat de minister ervan mocht uitgaan dat betrokkene meerderjarig is.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat verweerder ten onrechte geen eigen afweging heeft gemaakt over de mogelijke minderjarigheid van eiser. Verweerder mocht niet zomaar het standpunt van de minister volgen, nu de minister geen onderzoek heeft gedaan naar de leeftijd van eiser. Eiser wijst op de uitspraak van 26 februari 2025, waaruit volgt dat de minister niet zonder meer uit mocht gaan van de Keniaanse nationaliteit en meerderjarigheid van eiser. Dat de voorzieningenrechter van de Afdeling heeft bepaald dat verweerder geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak, doet volgens eiser niet aan de conclusie van de rechtbank af.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Procesbelang
4. Omdat eiser sinds 21 mei 2025 niet meer verblijft in de opvanglocatie en niet meer in beeld is bij verweerder, ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij de behandeling van zijn beroep. De voormalig gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat hij een maand voor de zitting nog contact heeft gehad met eiser. Eiser heeft aangegeven dat hij verblijft bij vrienden in [plaats]. Desgevraagd kon de voormalig gemachtigde niet aangeven of eiser zou terugkeren naar de opvang, als hij in een minderjarigenopvang kan verblijven. De rechtbank kan hiermee niet uitsluiten dat eiser nog belang heeft bij een oordeel over de vraag of hem voorzieningen voor minderjarigen toekomen. De rechtbank kan ook niet op voorhand uitsluiten dat eiser, als de rechtbank zou oordelen dat het bestreden besluit onrechtmatig is, aanspraak kan maken op schadevergoeding. Eiser heeft daarom belang bij een uitspraak op zijn beroep.
Beoordeling van het bestreden besluit
5. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder in beginsel uit mag gaan van de leeftijdsbepaling door de minister, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat reden voor twijfel bestaat over zijn leeftijd. [5] Hier is bijvoorbeeld sprake van als een vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij bij de minister is opgekomen tegen de leeftijdsbepaling en op welke gronden hij dat heeft gedaan. Als zulke concrete aanknopingspunten naar voren zijn gebracht, moet verweerder navraag doen bij de minister over de leeftijdsbepaling en daarover in samenspraak met de minister zelf een standpunt vormen in het kader van de opvangbehoeften van de vreemdeling. Verweerder heeft een eigen verantwoordelijkheid om te voorkomen dat een minderjarige vreemdeling in een opvang voor meerderjarigen wordt geplaatst.
6. De rechtbank constateert een gebrek in het bestreden besluit. Op het moment dat het besluit genomen was, bestond namelijk een concrete indicatie dat eiser minderjarig is in de vorm van de uitspraak van 26 februari 2025. De rechtbank heeft in die uitspraak immers geoordeeld dat de minister niet zonder nader onderzoek uit mocht gaan van de meerderjarigheid van eiser. Dat de Afdeling vervolgens op 2 april 2025 een voorlopige voorziening heeft getroffen met de strekking dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist, maakte niet dat verweerder uit mocht gaan van de meerderjarigheid van eiser. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling blijkt namelijk niet waarom deze voorlopige voorziening is getroffen. Verweerder mocht daarom op het moment van het bestreden besluit niet zonder nadere motivering uitgaan van de meerderjarigheid van eiser.
7. Vanwege dit geconstateerde gebrek, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Met het oog op de finale geschilbeslechting, ziet de rechtbank echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. [6] Ter zitting heeft verweerder namelijk gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2025 in het hoger beroep over de grensdetentie van eiser. Met deze uitspraak is, anders dan op het moment van het bestreden besluit, vast komen te staan dat de minister uit mag gaan van eisers meerderjarigheid. Met de verwijzing naar deze uitspraak mocht ook verweerder uitgaan van de meerderjarigheid. Dat het gaat om een bewaringszaak en niet het hoger beroep over eisers asielaanvraag, doet hier niet aan af.

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft het bestreden besluit niet voldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat sindsdien met de uitspraak van de Afdeling vast is komen te staan dat eiser meerderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [7]
10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de proceskosten van eiser te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 15 april 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
5.Zie punt 6.1 van de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011.
6.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a van de Awb.
7.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.