ECLI:NL:RBDHA:2026:3846

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL25.30337
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij broer

Eiseres, met de Eritrese nationaliteit, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij haar broer in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat er geen bijkomende afhankelijkheid was tussen eiseres en haar meerderjarige broers, noch hechte persoonlijke banden met haar minderjarige broers en zussen. Wel werd gezinsleven aangenomen met haar ouders, maar de belangenafweging viel nadelig uit voor eiseres.

Eiseres betoogde dat er wel gezinsleven en afhankelijkheid bestond en dat de belangenafweging onvoldoende rekening hield met de gedwongen scheiding en de situatie van haar gezin in Nederland. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het peilmoment van het besluit hanteerde en alle relevante feiten en omstandigheden meenam, waaronder de ontwikkeling van de situatie sinds het vertrek van het gezin.

De rechtbank vond dat de minister terecht geen exclusieve afhankelijkheid eiste en dat het ontvangen van financiële steun van meerdere familieleden het ontbreken van bijkomende afhankelijkheid rechtvaardigde. De belangenafweging was zorgvuldig en hield rekening met het economisch belang van de staat, het restrictieve toelatingsbeleid en de beperkte binding van eiseres met Nederland.

De rechtbank concludeerde dat de minister de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres liet uitvallen en dat de overgelegde salarisspecificaties geen aanleiding gaven tot een ander oordeel omdat deze betrekking hadden op een periode na het besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30337

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid.’
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op nieuw ingediende stukken. Na ontvangst van de schriftelijke reactie van beide partijen, heeft de rechtbank met instemming van partijen het onderzoek gesloten zonder een nadere zitting te houden.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2000. Namens eiseres is op 21 juli 2021 een mvv aangevraagd omdat zij in Nederland wil verblijven bij haar broer, [referent] (referent). Referent verblijft in Nederland met een asielvergunning. De ouders en andere broers en zussen van eiseres en referent verblijven inmiddels bij referent in Nederland.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen om de volgende redenen. Tussen eiseres, referent en hun meerderjarige broer bestaan geen bijkomende elementen van afhankelijkheid. Tussen eiseres en haar minderjarige broer en zussen is geen sprake van hechte persoonlijke banden. Verweerder neemt daarom geen familie- en gezinsleven aan in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiseres en haar broer en zussen. Tussen eiseres en haar ouders bestaat wel gezinsleven omdat het jongvolwassenenbeleid van toepassing is. De belangenafweging die verweerder daarom heeft gemaakt, is echter in het nadeel van eiseres uitgevallen.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft onterecht geen gezinsleven aangenomen tussen eiseres en referent en hun meerderjarige broer. Verweerder mocht niet als vereiste stellen dat eiseres exclusief van referent afhankelijk is. [1] Ook moest verweerder aannemen dat er hechte persoonlijke banden, en dus gezinsleven, bestaan tussen eiseres en haar minderjarige broer en zussen. Zij woonden namelijk tot aan het vertrek van het gezin samen. Daarnaast houdt de belangenafweging die is gemaakt voor eiseres en haar ouders geen stand. Verweerder heeft er niet genoeg rekening mee gehouden dat voor eiseres sprake was van een gedwongen scheiding en dat haar gezin nu in Nederland is. Daarnaast heeft referent nu wel voldoende inkomen en zal eiseres maar beperkt gebruik maken van de openbare kas en publieke voorzieningen. [2] In beroep heeft eiseres salarisspecificaties van referent overgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar meerderjarige broers, of hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar minderjarige broer en zussen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het peilmoment in reguliere gezinsherenigingszaken voor de vraag of er sprake is van familie- of gezinsleven het moment van het besluit op de aanvraag is. [3] Uit dezelfde uitspraak volgt ook dat verweerder op het moment van zijn besluit op bezwaar alle feiten en omstandigheden moet betrekken die relevant zijn voor de beoordeling van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, waaronder feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan sinds het primaire besluit. Anders dan eiseres heeft betoogd, heeft verweerder bij de beoordeling dus mogen betrekken hoe de situatie van eiseres zich heeft ontwikkeld sinds het vertrek van haar gezin. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat referent heeft verklaard dat de band van eiseres met hemzelf en de andere zussen een gebruikelijke band is. Dat eiseres voorheen met haar broers en zussen in gezinsverband samenwoonde, maakt niet dat verweerder tussen hen gezinsleven aan hoefde te nemen. Dat eiseres financiële steun ontvangt van referent, hoefde ook niet tot de conclusie te leiden dat er tussen hen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank is met eiseres eens dat verweerder niet als vereiste mag stellen dat eiseres enkel van referent afhankelijk is en/of zich zonder hem niet zou kunnen redden, maar constateert dat verweerder dit ook niet heeft vereist. Verweerder mocht er in dit kader gewicht aan toekennen dat eiseres ook van anderen dan van referent financiële ondersteuning ontvangt.
De gemaakte belangenafweging
7. Nu verweerder gezinsleven heeft aangenomen tussen eiseres en haar ouders, moest hij een belangenafweging maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het nadeel van eiseres mocht laten uitvallen. Verweerder heeft alle relevante omstandigheden in zijn belangenafweging betrokken en een “fair balance” gemaakt tussen de belangen van eiseres en die van de Nederlandse Staat.
8. Verweerder mocht allereerst wijzen op het economisch belang van de staat en zijn belang bij een restrictief toelatingsbeleid. In het nadeel van eiseres mocht verweerder verder meewegen dat zij geen binding heeft met Nederland anders dan door de aanwezigheid van haar gezin. Verweerder heeft in het voordeel van eiseres gewogen dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar ouders, maar mocht hier minder gewicht aan toekennen vanwege de verminderde intensiteit van het gezinsleven. Anders dan eiseres heeft betoogd, heeft verweerder er in dit kader voldoende rekening mee gehouden dat de familie voor de moeilijke keuze heeft gestaan om zonder eiseres naar Nederland te vertrekken. Nu er wel sprake was van een keuze, hoe moeilijk ook, hoefde verweerder dit niet aan te merken als een gedwongen scheiding. Ook heeft verweerder kenbaar betrokken dat een objectieve belemmering aanwezig is om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen. Over de asielgerelateerde omstandigheden van eiseres, mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat niet duidelijk is geworden hoe deze invloed hebben op het familieleven, zodat zij niet in dit kader mee moesten worden genomen.
9. In de salarisspecificaties die eiseres kort voor de zitting heeft overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Verweerder moest het besluit namelijk baseren op de situatie zoals die bestond op het moment van het bestreden besluit. Verweerder mocht erop wijzen dat de salarisspecificaties zien op een periode na het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiseres verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:758) en van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1189).
2.Eiseres verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:12902).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4630.