ECLI:NL:RBDHA:2026:4182

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL26.751
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 behandeld en beoordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hoewel eiser aanvoert dat hij in Frankrijk zes maanden op straat heeft geleefd en dat de opvangvoorzieningen tekortschieten, oordeelt de rechtbank dat deze omstandigheden niet zodanig structureel en ernstig zijn dat overdracht aan Frankrijk leidt tot een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest of artikel 3 EVRM Pro.

Eiser heeft ook betoogd dat de minister zijn aanvraag onverplicht aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vanwege medische omstandigheden. De rechtbank wijst dit af omdat Frankrijk vergelijkbare medische voorzieningen biedt en eiser daar al tweemaal behandeling heeft ontvangen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.751

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 december 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat niet is gebleken dat de minister de aanvraag desondanks onverplicht in behandeling had moeten nemen. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?
5. Eiser betoogt dat ten aanzien van Frankrijk niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser voert aan dat hij zes maanden op straat heeft geleefd in Frankrijk en dat hij bij terugkeer weer op straat zal belanden vanwege een gebrek aan opvangplaatsen. Verder wijst eiser erop dat zelfs als hij wel toegang zal krijgen tot een opvanglocatie, hij terecht zal komen in zeer slechte omstandigheden en dat niet zal worden voldaan aan zijn basisbehoeften. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn betoog op het AIDA-rapport van 11 juni 2025. [2] Daaruit blijkt – kort gezegd – dat er sprake is van een tekort aan en problemen met de geboden opvang voor asielzoekers in Frankrijk.
5.1.
Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit is het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die eiser heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. [3] Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest te leiden. [4] Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. [5]
5.2.
Het betoog slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister voor Frankrijk nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) nog bevestigd in de uitspraken van 30 augustus 2024 en 31 juli 2025. [6] Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 31 juli 2025 ook het AIDA-rapport (update 2024) betrokken. De rechtbank ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd, geen reden om hier anders over te oordelen. Het betoog van eiser op zitting dat de omstandigheden sinds 2023 ongewijzigd zijn en dat daarin een structurele tekortkoming in de opvangvoorzieningen is gelegen, volgt de rechtbank gezien de uitspraak van de Afdeling uit 2025 [7] niet. De Afdeling heeft alle door eiser aangeleverde landeninformatie, waaronder het laatste AIDA-rapport 2024 update, bij de beoordeling betrokken en komt opnieuw tot het oordeel dat ten aanzien van Franrijk mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Anders dan eiser betoogt verwijst de Afdeling daarmee niet louter naar zijn eerdere rechtspraak. Dat eiser naar eigen zeggen zes maanden op straat heeft geleefd is zeer spijtig, maar kan daaraan op zichzelf niet afdoen. Niet is gebleken dat eiser geen hulp had kunnen krijgen, omdat uit zijn verklaringen niet volgt dat hij daartoe stappen heeft ondernomen en dat de autoriteiten hem niet konden of wilden helpen. De rechtbank wijst er in dit kader op dat uit eisers eigen verklaringen wel blijkt dat hij medische hulp kon krijgen, zodat ook niet is gebleken dat de Franse autoriteiten eiser in het geheel aan zijn lot hebben overgelaten. De stelling alleen dat de autoriteiten hem niet wilden helpen om aan onderdak te komen, is daarom onvoldoende.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag onverplicht aan zich had moeten trekken. Hij wijst erop dat hij tweemaal is geopereerd aan zijn pink, waarvan hij nu nog last heeft. Hij zou willen worden behandeld in Nederland, omdat hij in Frankrijk zelf zijn medicijnen moest betalen.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister geeft onder meer toepassing aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van een vreemdeling van onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft aangegeven medische behandeling te hebben ondergaan in Frankrijk. Niet is gebleken dat Nederland het aangewezen land is om eiser te behandelen, nu Frankrijk vergelijkbare medische voorzieningen kent als Nederland en eiser daarvan bovendien tweemaal gebruik heeft gemaakt. Dat eiser in Frankrijk zijn medicijnen zelf moest betalen, geeft geen blijk van onevenredige hardheid. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat dit in Nederland anders zal zijn. De rechtbank volgt daarom, mede gezien onder 5.2, niet het betoog van eiser dat alle omstandigheden tezamen voldoende hadden moeten zijn voor de minister om de aanvraag van eiser zelf te behandelen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie het AIDA-country report: France (2024 update), pagina’s 122,123, 125 en 126.
3.Dit toetsingskader volgt uit HvJ 29 februari 2024 (arrest X), ECLI:EU:C:2024:195, en ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
4.EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (M.S.S. tegen België en Griekenland), overweging 263, en HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), punten 91-93.
5.Arrest van het EHRM van 2 juli 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0702JUD002882013 (N.H.), punt 82.
6.Zie de uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.