ECLI:NL:RBDHA:2026:4188

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/8819
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bepaalt termijn voor UWV om medische beoordeling en besluit te nemen na bezwaar

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar tegen het besluit van het UWV dat eiser geen recht meer heeft op een Ziektewetuitkering.

De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat het beroep gegrond is. Het UWV heeft een dwangsom toegekend gekregen wegens deze overschrijding, maar heeft nog geen besluit genomen op het bezwaar.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat het UWV in medische zaken een termijn van zes weken krijgt om een medische beoordeling door een verzekeringsarts te verrichten, gevolgd door drie weken om een besluit te nemen, in totaal maximaal negen weken na de uitspraak.

Omdat het UWV nog geen datum voor de medische beoordeling heeft vastgesteld, legt de rechtbank deze termijn op en bepaalt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoed.

De uitspraak is gedaan door rechter A.C. de Winter en is zonder zitting gewezen.

Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken na uitspraak een medische beoordeling verrichten en een besluit nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8819

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In het besluit van 29 april 2025 heeft het Uwv bepaald dat eiser geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet.
2. Eiser heeft op 26 mei 2025 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Eiser heeft op 10 december 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
2.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiser heeft het Uwv op 24 november 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
4. Het Uwv heeft op 22 januari 2026 een besluit genomen, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend wegens het overschrijden van de beslistermijn. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
4.1.
Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
4.2.
Eiser heeft de rechtbank verzocht de verweerder op te dragen binnen een termijn van twee weken alsnog een besluit te nemen op het bezwaar.
4.3.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door het tekort aan artsen en de als gevolg daarvan hoge en nog steeds oplopende werkvoorraad.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.5.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 [2] heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een besluit te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
4.6.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift toegelicht dat het bezwaarschrift met voorrang wordt afgehandeld, maar dat nog niet kan worden ingeschat wanneer een besluit op bezwaar wordt genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat al bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. [4] Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Voor het vaststellen van een hogere maximale dwangsom, zoals door eiser verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag
waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.