ECLI:NL:RBDHA:2026:456

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62661
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling en de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel door de minister van Asiel en Migratie

Deze uitspraak betreft de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan de eiser heeft opgelegd. De eiser is het niet eens met deze maatregel en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft op 5 januari 2026 geoordeeld dat de minister de maatregel van bewaring terecht heeft opgelegd. De rechtbank concludeert dat de gronden voor de maatregel voldoende zijn, aangezien de minister voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van de eiser en er geen reden was om met een lichter middel te volstaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt, ondanks de bezwaren van de eiser over de praktische uitvoering van de uitzetting. De rechtbank heeft het beroep van de eiser ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62661

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de maatregel van bewaring aan eiser heeft opgelegd. De onderliggende gronden rechtvaardigen deze maatregel, de minister heeft voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser en had geen reden om te volstaan met een lichter middel. Daarnaast ontbreekt het zicht op uitzetting naar Gambia niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 25 november 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. [1]
2.1.
De minister heeft op 18 december 2025 de rechtbank van de maatregel van bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldverbinding), zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: [3] 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
Eiser betwist alleen de zware grond 3d. Volgens hem kan deze grond geen standhouden, omdat eiser eenduidig is geweest over wie hij is en welke geboortedatum hij heeft. Dat hij tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit en nationaliteit, klopt daarom niet volgens eiser.
3.2.
Eiser heeft de gronden onder 3a en 3b niet betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist. Daarom zijn deze gronden al voldoende om de maatregel van bewaring te dragen [4] en kan worden aangenomen dat het risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarom kan onbesproken blijven of de minister de zware grond 3d aan eiser mocht tegenwerpen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Hij veroorzaakt geen overlast en wil om goede redenen niet terug naar Gambia.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft eerder, onder 3.2, vastgesteld dat de gronden de maatregel van bewaring rechtvaardigen. Uit die gronden blijkt dat er een risico op onttrekking bestaat. [5] Daarom mag de minister eiser in bewaring houden om de uitzetting naar Gambia veilig te stellen. De minister heeft daarbij verder terecht gewezen op het feit dat eiser tijdens meerdere vertrekgesprekken heeft aangegeven niet naar Gambia terug te willen keren. Ook is hij eerder, in 2019, met onbekende bestemming vertrokken. De minister stelt dan ook terecht dat er geen minder ingrijpende, maar even effectieve maatregelen beschikbaar waren in het geval van eiser. Dat eiser naar eigen zeggen geen overlast veroorzaakt en niet terug wil naar Gambia, doet niet af aan het voorgaande onttrekkingsrisico.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser zit sinds 25 november 2025 in bewaring en dat heeft tot nu toe niet tot resultaat geleid.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister werkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Op 11 november 2025 is een aanvraag gedaan voor een laisser-passez (lp) en daarop wordt maandelijks gerappelleerd. Daarnaast heeft de minister op 28 november 2025, de vierde dag van de inbewaringstelling van eiser, een vertrekgesprek gevoerd. Deze handelwijze van de minister is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te kunnen spreken van voortvarend handelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de minister voor het vaststellen van de uitzettingsdatum (mede) afhankelijk is van de Gambiaanse autoriteiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inbewaringstelling niet onredelijk lang voortduurt. De minister mag namelijk tijd gegund worden om de uitzetting te regelen.
Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Gambia?
6. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt. Hoewel uitzetting naar Gambia in theorie mogelijk is, werkt dit in de praktijk volgens eiser anders. Eiser wijst op de gebrekkige apparatuur met vingerafdrukken. Daardoor worden er nauwelijks lp’s verstrekt.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 augustus 2023. [6] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De minister heeft op de zitting toegelicht dat er in 2025 25 aanvragen voor een lp bij de Gambiaanse autoriteiten zijn ingediend. Dit heeft tot de datum van de zitting geleid tot twee bevestigingen van nationaliteit. Een lp is in 2025 nog niet verstrekt. Wel hebben dit jaar twee uitzettingen naar Gambia plaatsgevonden op basis van eerder verstrekte lp’s. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze omstandigheden onvoldoende voor het oordeel dat de Gambiaanse autoriteiten in het algemeen en aan eiser in het bijzonder geen lp zullen verstrekken. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Gambiaanse autoriteiten en mag hij de tijd nemen om op hun reactie te wachten. Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Dit betekent onder andere dat hij actief en volledig moet meewerken aan zijn uitzetting. Het is niet gebleken dat eiser hieraan voldoende voldoet. Ook om deze reden ontbreekt het zicht op uitzetting op dit moment niet. [7]
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [8]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
4.Gelet op artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
5.ABRVS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85 en van 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.
8.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (