Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4790

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
C/09/687524 / HA ZA 25-566
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 BWArt. 6:119 BWArt. 130 RvArt. 4 lid 1 Rome II VoArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot afgifte Iraanse bruidsgave en deels toewijzing geldvorderingen lening

De vrouw en de man, gehuwd volgens Iraans recht, zijn in 2020 gescheiden waarbij een convenant werd gesloten over de bruidsgave van 100 gouden munten. De vrouw vordert afgifte van deze munten of de waarde daarvan, terwijl de man een tegenvordering instelt voor vergoeding van de helft van een tijdens het huwelijk afgesloten lening en inkomensderving door een uitreisverbod.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Iraans recht van toepassing is op de bruidsgave. De vordering van de vrouw wordt niet in strijd met de Nederlandse openbare orde geacht en wordt toegewezen. Een verzoek van de man tot betalingsregeling wordt afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en draagkracht.

De man krijgt deels gelijk in zijn vordering tot vergoeding van de helft van de lening die hij volledig heeft afgelost, waarbij de rechtbank uitgaat van gelijke verdeling. De vordering tot inkomensderving wordt afgewezen omdat het Iraanse recht geen onrechtmatige daad van de vrouw aanneemt. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De vrouw krijgt 100 gouden munten toegewezen, de man krijgt vergoeding van de helft van de lening, inkomensderving wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/687524 / HA ZA 25-566
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. D. Rezaie,
tegen
[de man]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna: de man,
advocaat: mr. M.M. Dezfouli.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 20 juni 2025, met producties 1 tot en met 5;
  • de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 4;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, zonder producties.
1.2.
Op 9 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. De nadere producties 6 en 7 die namens de vrouw op 7 december 2025 zijn ingediend, zijn wegens te late indiening niet meer toegestaan en worden buiten beschouwing gelaten.
1.3.
Op 24 december 2025 heeft de man, op verzoek van de rechtbank, een nadere akte genomen ter overlegging van een bewijs van de aflossing van een afgesloten lening. Bij deze akte heeft de man tevens zijn eis in reconventie vermeerderd. Tegen de roldatum van 21 januari 2026 heeft de vrouw hier bij akte op gereageerd.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn op [datum 1] 2001 in [plaats 1] (Iran) met elkaar gehuwd naar Iraans recht. Bij dit huwelijk is een bruidsgave van 700 volle Bahar-e Azadi gouden munten overeengekomen.
2.2.
Partijen zijn in 2008 naar Nederland verhuisd.
2.3.
In 2014 zijn partijen een kredietovereenkomst aangegaan met [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) met een kredietlimiet van € 38.400,00 (hierna: de lening). De lening had een onbepaalde looptijd en het geschatte totaal te betalen bedrag voor de lening was € 48.543,80. De lening is volledig afgelost, waarbij de laatste aflossing in 2023 plaatsvond en in totaal € 77.720,48 is betaald.
2.4.
De vrouw is in 2016 naar Iran gereisd met de dochter van partijen en heeft zich uitgeschreven uit Nederland. In 2019 is ook de man naar Iran gereisd. In Iran heeft de man om de echtscheiding verzocht. De vrouw heeft, toen de man in Iran was, de bruidsgave ten uitvoer gelegd en in dat kader is door de Iraanse autoriteiten op 9 september 2020 een uitreisverbod opgelegd aan de man.
2.5.
Op [datum 2] 2020 is het huwelijk ontbonden in [plaats 2] (Iran). Partijen hebben daaraan voorafgaand op 25 september 2020 een convenant getekend waarin onder meer staat vermeld dat partijen hebben afgesproken dat de vrouw van de bruidsgave 100 gouden munten (hierna: de 100 gouden munten) verkrijgt en dat ze afstand doet van het meerdere van de bruidsgave in ruil voor de echtscheiding.
2.6.
Bij brief van 24 juli 2024 heeft de vrouw de man gesommeerd de resterende bruidsgave van 100 munten, of de waarde daarvan, binnen 15 dagen (ofwel uiterlijk 9 augustus 2024) aan haar te voldoen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de man veroordeelt aan de vrouw 100 gouden munten te overhandigen, dan wel het equivalent daarvan (€ 81.940,00) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2024. Dit alles met veroordeling van de man in de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.691,70 en de proceskosten.
3.2.
De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat zij recht heeft op afgifte van de overeengekomen 100 gouden munten, dan wel de waarde daarvan. In dat laatste geval geldt dat de waarde van één gouden munt overeenkomt met € 819,40.
3.3.
De man voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
De man vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw veroordeelt tot betaling van € 146.860,24, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
3.6.
De man legt hieraan, samengevat, het volgende ten grondslag. Tijdens hun huwelijk zijn de man en de vrouw een lening aangegaan waarvoor in totaal € 77.720,48 is afgelost. De vrouw is gehouden de helft hiervan (€ 38.860,24) te vergoeden aan de man. Daarnaast was het uitreisverbod van de man het gevolg van misbruik van procesrecht door de vrouw, waardoor de man inkomensderving heeft geleden van € 108.000,00.
3.7.
De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te oordelen over de vordering van de vrouw tot betaling van de bruidsgave. Ook de rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is daarover te oordelen. [1]
4.2.
Partijen zijn het er ook over eens dat de vordering van de vrouw met betrekking tot afgifte van de bruidsgave moet worden beoordeeld naar Iraans recht. De rechtbank deelt dat standpunt. [2]
De vrouw is ontvankelijk in haar vordering
4.3.
De man heeft onder meer naar voren gebracht dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar vordering, omdat hieromtrent reeds uitvoerig in Iran is geprocedeerd. De rechtbank wijst dit ontvankelijkheidsverweer af. De man heeft niet gesteld dat de vrouw reeds een executoriale titel bezit voor de tenuitvoerlegging van haar aanspraak op grond van het echtscheidingsconvenant. Gelet daarop heeft de man onvoldoende gesteld voor de conclusie dat de vrouw niet-ontvankelijk zou zijn in haar vordering.
De vrouw heeft recht op de gouden munten
4.4.
De vrouw maakt aanspraak op de 100 gouden munten die partijen in het kader van het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen. Het verweer van de man komt er op neer dat betaling hiervan in strijd is met de openbare orde in Nederland en daarom moet worden afgewezen. Aan die stelling heeft de man ten grondslag gelegd dat de bruidsgave onlosmakelijk is verbonden de omstandigheid dat de vrouw naar Iraans recht niet het recht heeft om te scheiden. In Nederland is er een wettelijk vastgelegd recht om te scheiden en het ontzeggen van dat recht is in strijd met de openbare orde. De vordering van de vrouw is daarom in strijd met de openbare orde, aldus de man.
4.5.
In dit geval gaat het in de kern om de beantwoording van de vraag of in Nederland rechtsgevolg dient te worden toegekend aan de afspraken die partijen in het convenant hebben gemaakt voor zover die inhouden dat de man de 100 gouden munten dient te voldoen aan de vrouw. Bij de beantwoording van die vraag stelt de rechtbank voorop dat de openbare orde kan meebrengen dat in Nederland rechtsgevolg wordt onthouden aan een rechtshandeling die door partijen is verricht in overeenstemming met geschreven of ongeschreven vreemd recht en volgens dat vreemde recht rechtsgeldig is, voor zover het toekennen van rechtsgevolg aan die rechtshandeling tot een resultaat leidt dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. [3]
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat naar het recht van Iran de vrouw rechtsgeldig aanspraak kan maken op betaling van de 100 gouden munten, conform de afspraken gemaakt in het convenant. De rechtbank is van oordeel dat het tenuitvoerleggen in Nederland van deze verplichting niet onverenigbaar is met de openbare orde. [4] De omstandigheid dat er aspecten kunnen zijn aan de regeling van de bruidsgave die strijdig zijn met de openbare orde, zoals het door de man genoemde aspect dat de aanspraak op de bruidsgave vervalt als de vrouw de scheiding initieert, maakt dit niet anders, nu dergelijke aspecten in deze kwestie niet spelen. De man heeft immers de echtscheiding aangevraagd en de vrouw vraagt betaling van de bruidsgave die partijen in dat kader zijn overeengekomen. Ook overigens valt niet in te zien, in welk opzicht of door welke feiten of omstandigheden (een vordering tot nakoming van) de bruidsgave strijd zou opleveren met – naar Nederlandse opvattingen – fundamentele beginselen van juridische, sociale en/of morele aard. Het enkele gegeven dat het Nederlandse recht een dergelijke (rechts)figuur niet kent levert nog geen strijd op met de Nederlandse openbare orde. De conclusie is daarom dat de vrouw recht heeft op betaling van de 100 gouden munten.
4.7.
Vervolgens voert de man aan dat het gevorderde aantal van 100 munten volgens Iraans recht niet opeisbaar is en verzoekt een betalingsregeling te treffen die eruit bestaat dat hij één gouden munt (of het equivalent daarvan) per drie maanden zou moeten afdragen. Daarbij wijst de man op zijn netto-inkomen van ongeveer € 4.500,00 per maand. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aanvullend gesteld dat vanwege een stijging van de goudprijs tegenwoordig slechts een aantal van 14 munten opeisbaar zou zijn naar Iraans recht. De vrouw maakt bezwaar tegen een betalingsregeling en houdt er aan vast dat het aantal van 100 munten geheel opeisbaar is. Pas vanaf een bruidsgave van 110 munten behoort een betalingsregeling tot de mogelijkheden, aldus de vrouw.
4.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de jurisprudentie volgt dat het Iraanse recht maar zeer beperkte ruimte laat voor het herijken of corrigeren van de bruidsgave, waaronder begrepen het betalen van de bruidsgave in termijnen, indien de vrouw daar niet mee instemt. Het Iraanse recht kent geen redelijkheid- en billijkheidstoets. Een herijking of correctie is slechts mogelijk bij een bruidsgave van meer dan 110 munten. [5] De man heeft zijn stelling dat deze grens momenteel 14 munten bedraagt niet onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen reden af te wijken van de genoemde grens van 110 munten. Nu het hier gaat om 100 munten, komt de rechtbank niet toe aan herijking of correctie van de bruidsgave. Dit houdt in dat de omvang van het aantal munten de opeisbaarheid ervan in eens niet in de weg staat. Daarbij komt nog dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn draagkracht. Hij heeft slechts niet onderbouwd gesteld dat hij een netto-inkomen heeft van
€ 4.500,00 per maand en heeft geen stellingen betrokken over zijn lasten en vermogen. De door de man verzochte betalingsregeling wordt daarom afgewezen.
4.9.
De primaire vordering van de vrouw, afgifte van 100 gouden munten, zal daarom worden toegewezen.
4.10.
Ten aanzien van de door de vrouw gevorderde wettelijke rente overweegt de rechtbank dat de verplichting tot afgifte van de 100 gouden munten, geen verplichting is tot het voldoen van een geldsom als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro. De gevorderde wettelijke rente wordt daarom afgewezen. [6]
De man moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.11.
De vrouw vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 1.691,70. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De toegewezen afgifte van 100 gouden munten heeft een onbepaalde waarde, waarvoor een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten kan worden toegewezen. De vordering van de vrouw zal daarom worden toegewezen tot dit laatste bedrag.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.12.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
De vordering inzake de geldlening wordt toegewezen
4.13.
Aan de vordering van de man met betrekking tot de lening bij [bedrijfsnaam 1] legt hij ten grondslag dat partijen tijdens hun huwelijk deze lening gezamenlijk zijn aangegaan, terwijl hij de lening volledig heeft afgelost en alle rentebetalingen heeft gedaan.
4.14.
De vrouw maakt bezwaar tegen de vermeerdering van eis. Aanvankelijk had de man de helft van het geschatte totaal te betalen bedrag van € 48.543,80 (ofwel € 24.271,90) gevorderd. Pas in de akte van 24 december 2025 heeft de man zijn vordering vermeerderd naar de helft van € 77.720,48 (ofwel € 38.860,24). De vrouw stelt zich op het standpunt dat deze eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde omdat zij onredelijk is bemoeilijkt in haar verdediging.
4.15.
De rechtbank staat de eisvermeerdering toe. Op grond van artikel 130 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering is de eiser, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk bij conclusie of akte ter rolle te vermeerderen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de goede procesorde niet is geschaad. De man onderbouwt zijn vordering nog steeds met de stelling dat hij de gezamenlijke lening volledig heeft afgelost en hij heeft slechts de hoogte van de totale aflossing gewijzigd. Het verweer van de vrouw is niet afhankelijk van de hoogte van het bedrag, zoals hierna zal blijken. De vrouw heeft kunnen reageren op de eisvermeerdering en zij is niet geschaad in haar belangen.
4.16.
De vrouw heeft de vordering ook inhoudelijk betwist. Daartoe heeft ze ten eerste gesteld dat op grond van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht er geen gemeenschap van goederen tussen partijen bestaat. De lening valt dus niet in een gemeenschap van goederen die voor verdeling in aanmerking komt. Ook heeft de man, door het ondertekenen van het convenant waarin een algehele afwikkeling van de financiële aanspraken van partijen over en weer is overeengekomen, zijn eventuele rechten verwerkt. De man heeft namelijk door het sluiten van het convenant bij de vrouw het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat hij de lening als zijn eigen schuld en terugbetalingsverplichting beschouwde. De vordering wordt pas vijf jaar na de echtscheiding opgeëist. Verder heeft de vrouw, subsidiair, gesteld dat als de rechtbank van oordeel is dat op de echtscheiding en verdeling van de eventueel tussen partijen bestaande gemeenschap het Nederlands recht van toepassing is geweest, de lening is afgesloten tijdens het huwelijk zodat de schuld in de gemeenschap is gevallen. Ook stelt de vrouw dat de man de lening niet met haar heeft gedeeld en het geld evenmin heeft gebruikt voor de kosten van de vrouw, de kinderen van partijen of de huishouding. De vrouw weet niet wat de man heeft gedaan met het geld. Tot slot merkt de vrouw op dat de man niet heeft onderbouwd wat de grondslag van de vordering is.
4.17.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat er geen huwelijksgoederengemeenschap is ontstaan tussen hen. Dit staat er evenwel niet aan in de weg dat partijen gezamenlijk een schuld zijn aangaan. De man en de vrouw zijn de lening met een Nederlandse bank aangegaan in 2014, toen zij in Nederland woonachtig waren. Op deze lening is Nederlands recht van toepassing.
4.18.
In het echtscheidingsconvenant is deze schuld niet benoemd. Ook overigens wordt in het convenant geen melding gemaakt van een finale kwijting. De vrouw wordt niet gevolgd in haar verweer dat de man met het ondertekenen van het convenant zijn rechten heeft verwerkt. Ook het tijdsverloop van vijf jaar tussen de echtscheiding en de vordering leidt er niet toe dat de man zijn rechten niet meer geldend kan maken. Volgens vaste rechtspraak is enkel tijdsverloop onvoldoende om een beroep op rechtsverwerking te doen slagen. Daarvoor zijn bijzondere omstandigheden vereist, namelijk gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van de vrouw dat de man zijn rechten niet (meer) zal uitoefenen of onredelijke benadeling van de vrouw als de man dit recht zal uitoefenen. [7] Gelet op de terughoudendheid die de rechter hierbij dient te betrachten, is de rechtbank van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om rechtsverwerking aan de zijde van de man aan te kunnen nemen.
4.19.
Wat betreft de grondslag van de vordering overweegt de rechtbank dat uit artikel 6:10 BW Pro volgt dat hoofdelijke schuldenaren verplicht zijn om in de schuld en kosten bij te dragen, ieder voor het gedeelte dat een schuldenaar in de onderlinge verhouding aangaat. Indien een schuldenaar voor een groter gedeelte heeft bijgedragen, kan hij zich verhalen op de medeschuldenaar (regresrecht). In artikel 6:10 BW Pro is echter niet omschreven hoe het gedeelte van de schuld jegens de schuldeiser dat de hoofdelijke schuldenaar in de onderlinge verhouding aangaat, moet worden vastgesteld. In de parlementaire geschiedenis is daarover het volgende opgemerkt. De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding van de schuldenaren, op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden. Is de schuld om baat aangegaan, dan is voorts van belang – en dit vooral, wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat, dan het feit dat zij hoofdelijke medeschuldenaren zijn – in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen. Ten slotte kunnen ook de beginselen van de ongerechtvaardigde verrijking nog een rol spelen. Vanzelfsprekend is echter, indien geen van de hierboven aangegeven omstandigheden en beginselen uitsluitsel geeft, een draagplicht voor gelijke delen ook volgens het ontwerp de aangewezen oplossing is, aldus de parlementaire geschiedenis. [8]
4.20.
De vrouw heeft gesteld dat zij niet weet waar het geleende geld aan is besteed. De man heeft naar voren gebracht dat het volledige bedrag van € 38.400,00 in 2014 in één keer is opgenomen en daarmee een eerdere lening is afgelost en met het restant gezamenlijke zaken zijn gekocht zoals een auto en een bank. Dit laatste is door de vrouw onvoldoende weersproken, waarmee het voor de rechtbank vaststaat dat (in ieder geval een deel van) de geldlening aan zowel de man als de vrouw is toegekomen. De schuld gaat hen daarom beiden aan. Partijen hebben de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gegeven op grond waarvan zij kan vaststellen dat de schuld de één meer aangaat dan de ander. Dit houdt in dat de rechtbank ervan uitgaat dat de schuld beide partijen voor de helft aangaat. Niet betwist is dat de man de volledige schuld heeft voldaan. De man heeft daarmee een groter deel van de schuld voldaan dan hem in de onderlinge verhouding met de vrouw aangaat. Voor dit meerdere heeft hij een regresrecht op de vrouw. Het gevorderde bedrag van € 38.860,24 wordt daarom toegewezen.
4.21.
De man heeft de wettelijke rente gevorderd over het toe te wijzen bedrag. Omdat hij nalaat aan te geven vanaf welke datum hij die rente vordert en dit vanwege de verschillende data waarop de lening is afgelost kan verschillen, zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van dit vonnis.
De vordering inzake de inkomensderving wordt afgewezen
4.22.
De man vordert daarnaast inkomensderving van € 108.000,00 op grond van een onrechtmatige daad van de vrouw, omdat hij door haar toedoen een jaar lang niet heeft kunnen werken vanwege het uitreisverbod dat hij in Iran opgelegd heeft gekregen. Het uitreisverbod was een pressiemiddel om de man te dwingen het convenant te ondertekenen. Door het uitreisverbod heeft de man niet kunnen werken, terwijl hij een arbeidsovereenkomst had met [bedrijfsnaam 2] in Libië voor € 9.000 per maand. Volgens de man heeft de vrouw hiermee misbruik gemaakt van het procesrecht in Iran, aldus nog steeds de man.
4.23.
Volgens de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome Pro II Vo (Verordening EG nr. 864/2007) is op een onrechtmatige daad het recht van toepassing van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Het begrip “het land waar de schade zich voordoet” moet op vergelijkbare wijze worden uitgelegd als het begrip “de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” uit artikel 7 lid 2 Brussel Pro I bis (Hoge Raad 3 juni 2026, ECLI:NL:HR:2016:1054, r.o. 3.7). De plaats waar de schade zich concreet voordoet kan niet zo ruim worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt (HvJEG 19 september 1995, zaak C-364/93, ECLI:EU:C:1995:289 (Marinari)). De plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan omvat niet ook de plaats waar de eiser woont of waar zich het centrum van zijn vermogen bevindt op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden (HvJEG 10 juni 2004, zaak C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364 (Kronhofer/Maier)). Dat de indirecte schade zich in Nederland (of eventueel Libië) heeft voorgedaan, maakt dus niet dat het recht van één van die landen van toepassing is. De uitzondering van artikel 4 lid 2 Rome Pro II Vo doet zich hier niet voor omdat in ieder geval de vrouw op het moment dat de schade zich voordeed haar gewone verblijfplaats had in Iran. De uitzondering uit lid 3 doet zich evenmin voor, nu uit het geheel der omstandigheden niet is gebleken dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan Iran. In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de schade zich heeft voorgedaan in Iran en dat derhalve het Iraanse recht van toepassing is.
4.24.
De rechtbank oordeelt dat naar Iraans recht geen sprake is van een onrechtmatige daad. Partijen zijn in Iran naar Iraans recht een huwelijk aangegaan, waarbij een bruidsgave is overeengekomen. In het kader van de echtscheiding heeft de vrouw aanspraak gemaakt op de bruidsgave. De man heeft hier niet aan voldaan, waarna hem een uitreisverbod is opgelegd door de Iraanse autoriteiten overeenkomstig het Iraanse recht. De man heeft onvoldoende gesteld voor de conclusie dat de vrouw hiermee naar Iraans recht onrechtmatig heeft gehandeld jegens de man. Voor toewijzing van de vordering van de man is daarom geen plaats. Deze vordering wordt afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.25.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
5.1.
veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen 100 volle (1) Bahar-e Azadi gouden munten binnen vier weken na de datum van dit vonnis;
5.2.
veroordeelt de man aan de vrouw te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onderdelen 5.1 en 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.6.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 38.860,24, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;
5.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
verklaart dit vonnis voor wat betreft onderdeel 5.6 uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Alink en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
3425

Voetnoten

1.Vgl. Hof Den Haag 18 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1153, r.o. 6.1.
2.Vgl. onder meer: Hof Amsterdam 30 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2141; Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4666; Hof Den Haag 18 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1153; Hof ’s-Hertogenbosch 10 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2614.
3.Hoge Raad 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, r.o. 3.4.3.
4.vgl. Hof Amsterdam 4 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:559, r.o. 3.12; Hof Amsterdam 22 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3162 r.o. 3.8.
5.vgl. onder meer Hof Amsterdam 22 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3162; Hof Amsterdam 17 november 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3087; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5397; Hof Amsterdam 11 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1592; Hof Amsterdam 17 november 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3087.
6.Kantonrechter Roermond 15 november 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:6697, r.o. 4.22.
7.Hoge Raad 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827.
8.Parl. Gesch. Boek 6, p. 108. Zie voorts: Hoge Raad 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:295, r.o. 3.1.