ECLI:NL:RBDHA:2026:4806
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming en terugkeerbesluiten derdelander uit Oekraïne
Eiser, een derdelander uit Oekraïne, betwist de beëindiging van zijn facultatieve tijdelijke bescherming en de daaropvolgende terugkeerbesluiten van de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024, waarin de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 werd beëindigd, en het terugkeerbesluit van 18 juli 2025.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de Europese Unie, die bevestigen dat lidstaten bevoegd zijn facultatieve tijdelijke bescherming eerder te beëindigen dan de maximale termijn. Eiser heeft geen nieuwe feiten of gronden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.
Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder niet verplicht was eiser persoonlijk te horen over het terugkeerbesluit, omdat hij al de mogelijkheid had schriftelijk een zienswijze in te dienen. Ambtshalve is beoordeeld dat het non-refoulementbeginsel en het recht op gezinsleven niet zijn geschonden.
De beroepen worden ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een proceskostenvergoeding van € 934,- omdat het eerdere terugkeerbesluit te vroeg was genomen en ingetrokken. De rechtbank bevestigt hiermee de rechtmatigheid van de beëindiging van de tijdelijke bescherming en de terugkeerbesluiten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming en de terugkeerbesluiten ongegrond en veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser.