ECLI:NL:RBDHA:2026:4836
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel in asielprocedure bevestigd
De rechtbank Den Haag heeft op 9 februari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser bezwaar maakte tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, een asielzoeker uit Trinidad en Tobago, betoogde dat het besluit onrechtmatig was omdat er geen gebruik was gemaakt van een registertolk en omdat een lichter middel had moeten worden toegepast.
De rechtbank overwoog dat verweerder zich terecht op het standpunt kon stellen dat eiser de Engelse taal voldoende beheerst, zodat het inzetten van een registertolk niet noodzakelijk was. Eiser had tijdens het gehoor de vragen goed begrepen en beantwoord. Daarnaast was de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding had om een lichter middel toe te passen, ondanks het feit dat eiser in bewaring niet vrijelijk telefonisch contact kon onderhouden met zijn minderjarige zoontje. De belangenafweging en de noodzaak van de maatregel waren voldoende gemotiveerd.
De rechtbank concludeerde dat het opleggen en voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel.