ECLI:NL:RBDHA:2026:4896

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
NL26.10616
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 september 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is meerdere malen door de rechtbank getoetst en steeds als rechtmatig beoordeeld tot het moment van het sluiten van het laatste onderzoek op 23 januari 2026.

Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de maatregel en voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend was bij zijn uitzetting. De rechtbank onderzocht de voortgang en constateerde dat de minister sinds 25 februari 2026 in het bezit was van een geldig laissez-passer en dat een vlucht naar Casablanca op 16 maart 2026 geboekt was. Daarnaast werden maandelijks vertrekgesprekken gevoerd.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld en dat er geen reden was om de maatregel van bewaring op te heffen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10616

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie

Procesverloop

De minister heeft op 19 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 10 oktober 2025. [1] De rechtbank heeft bij uitspraak van 14 november 2025 beslist op het eerste vervolgberoep [2] , in het tweede vervolgberoep is op 22 december 2025 uitspraak gedaan en in het derde vervolgberoep [3] is op 28 januari 2026 uitspraak gedaan. [4]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft de minister op 3 maart 2026 verzocht om haar te informeren over de voortgang van de uitzetting van eiser. De minister heeft 4 maart 2026 hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 4 maart 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [5]

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 23 januari 2026.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Uit het vertrekgesprek van 13 februari 2026 blijkt dat de minister op dat moment al beschikte over een kopie van het paspoort van eiser. Onduidelijk is echter sinds wanneer de minister precies over deze kopie beschikte. Nu daarover geen duidelijkheid bestaat, moet worden aangenomen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Daarnaast staat vast dat de minister sinds 25 februari 2026 in het bezit is van een laissez-passer (lp), terwijl nog altijd geen vluchtdatum is vastgesteld en onduidelijk is wanneer eiser daadwerkelijk zal worden uitgezet.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. Daargelaten sinds welk moment de minister beschikte over een kopie van het paspoort van eiser, is van belang dat de minister op 25 februari 2026 een lp heeft ontvangen van de Marokkaanse autoriteiten. Deze is geldig tot 24 april 2026. Een dag later is een vlucht naar Nador aangevraagd. Bij brief van 4 maart 2026 heeft de minister laten weten dat op korte termijn geen vluchten beschikbaar zijn naar Nador. Daarom is de vlucht omgezet naar een eerdere vlucht naar Casablanca op 16 maart 2026. Deze vlucht is inmiddels daadwerkelijk geboekt. Daarnaast heeft de minister maandelijks vertrekgesprekken gevoerd, dit is voor het laatst op 22 februari 2026 gedaan. De minister heeft hiermee voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 10 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18697.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 14 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21518.
3.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 22 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24753.
4.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1447.
5.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
6.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.