ECLI:NL:RBDHA:2026:5121
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken hechte persoonlijke banden en afhankelijkheid
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende man, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn broer, de referent, in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af omdat niet was gebleken van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn broers, noch van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn ouders.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de feitelijke situatie geen hechte persoonlijke banden toont die de gebruikelijke omgang tussen broers overstijgen. Het samenwonen in Syrië en Turkije met ouders en broers is onvoldoende om van een bijzondere band te spreken. Ook het feit dat eiser sinds 2021 zelfstandig in Oostenrijk woont en financieel onafhankelijk is, spreekt tegen het bestaan van bijkomende afhankelijkheid.
Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende had getoetst of het gezin hersteld kon worden zoals voor de vlucht, en dat hij niet tijdig kon reageren op aanvullende vragen. De rechtbank wijst dit af en stelt dat de beoordeling op het moment van het bestreden besluit moet plaatsvinden en dat eiser niet binnen de gestelde termijn reageerde.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter S. Kompier en griffier N. Habibi op 10 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.