ECLI:NL:RBDHA:2026:521

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
11920211 RL EXPL 25-18831
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen van Dexia bij effectenleaseovereenkomsten

Op 8 januari 2026 heeft de kantonrechter in Den Haag uitspraak gedaan in een zaak tussen twee afnemers van effectenleaseovereenkomsten en de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V. De afnemers, vertegenwoordigd door mr. G. van Dijk van Leaseproces, vorderden schadevergoeding van Dexia wegens onrechtmatig handelen. De procedure begon met een dagvaarding op 1 oktober 2025, waarna Dexia niet op de zittingen verscheen en geen verweer voerde. De kantonrechter oordeelde dat Dexia onrechtmatig had gehandeld door de afnemers als cliënten te accepteren, terwijl de tussenpersoon die hen adviseerde geen vergunning had. Dit leidde tot schade voor de afnemers, die bestond uit betaalde termijnen en een restschuld. De kantonrechter verklaarde voor recht dat Dexia aansprakelijk was voor de schade en dat de afnemers de restschuld niet verschuldigd waren. Dexia werd veroordeeld tot schadevergoeding, het doorhalen van de registratie bij het Bureau Kredietregistratie en het betalen van proceskosten. De uitspraak is gebaseerd op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad en andere relevante arresten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag
NAV/b
Zaak-/rolnr.: 11920211 RL EXPL 25-18831
8 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[afnemer sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2. [afnemer sub 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ( [land] ),
eisende partij,
hierna te noemen: Afnemer (in mannelijk enkelvoud),
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- de dagvaarding van 1 oktober 2025, met producties.
1.2.
Op de civiele rolzitting van woensdag 15 oktober 2025 is aan Dexia op haar verzoek een eerste termijn verleend tot de civiele rolzitting van woensdag 12 november 2025 voor het nemen van een conclusie van antwoord. Vervolgens is op deze civiele rolzitting aan Dexia op haar verzoek een tweede en laatste termijn verleend tot de civiele rolzitting van donderdag 11 december 2025 voor het nemen van een conclusie van antwoord. De griffier van de rechtbank heeft dit in een brief van 17 november 2025 aan Dexia medegedeeld. Dexia is op de daarvoor aangewezen zitting niet verschenen en heeft evenmin op andere wijze gereageerd. Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Afnemer heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
[nummer 1]
17-05-2001
Euro Effect Vooruitbetaling
240 mnd
€ 10.891,20
II.
[nummer 2]
17-05-2001
Euro Effect Vooruitbetaling
240 mnd
€ 10.891,20
III.
[nummer 3]
17-05-2001
Euro Effect Vooruitbetaling
240 mnd
€ 10.891,20
IV.
[nummer 4]
17-05-2001
Euro Effect Vooruitbetaling
240 mnd
€ 10.891,20
V.
[nummer 5]
17-05-2001
Euro Effect Vooruitbetaling
240 mnd
€ 10.891,20
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot deze overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald?
I.
22-01-2007
- € 140,68
Nee
II.
22-01-2007
- € 140,68
Nee
III.
22-01-2007
- € 140,68
Nee
IV.
22-01-2007
- € 140,68
Nee
V.
22-01-2007
- € 140,68
Nee
2.3.
De gemachtigde van Afnemer, Leaseproces, heeft bij brief van 28 september 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen onder meer op grond van onrechtmatige daad. Ook is het recht voorbehouden ook nog andere gronden aan te voeren.

3.De vordering

3.1.
Afnemer vordert, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemer
  • voor recht zal verklaren dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan Afnemer van al datgene dat Afnemer aan
  • voor recht zal verklaren dat Afnemer de restschuld niet verschuldigd is,
  • Dexia zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Afnemer,
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.

4.4. De beoordeling van de vordering

rechtsmacht
4.1.
Omdat [afnemer sub 2] in het buitenland woonachtig is en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Die vraag wordt bevestigend beantwoord en wel op grond van artikel 4 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 ( Brussel I bis-Verordening), nu Dexia woonplaats heeft in Nederland.
toepasselijk recht
4.3.
Ten aanzien van het op de onderhavige vordering toepasselijke recht overweegt de kantonrechter als volgt. De bepaling van het toepasselijke recht dient plaats te vinden aan de hand van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO-verdrag), nu Nederland bij dit verdrag partij is en de vordering betrekking heeft op door het verdrag bestreken onderwerpen. Dexia en Afnemer hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van dit verdrag in de tussen hen gesloten overeenkomsten een expliciete keuze gedaan voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht. Daarom is op de onderhavige vordering Nederlands recht van toepassing.
algemeen4.4. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie Afnemer.
4.5.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vordering als leidraad genomen. Er zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
4.6.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
4.7.
Afnemer stelt dat de overeenkomsten zijn afgesloten via de tussenpersoon " [tussenpersoon] ", dat sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, dat de tussenpersoon niet beschikte over die noodzakelijke vergunning en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Afnemer, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt. Omdat Dexia, hoewel zij daartoe naar behoren in de gelegenheid gesteld is, tegen de vordering van Afnemer geen verweer heeft gevoerd, moet worden uitgegaan van de juistheid van deze feiten die Afnemer aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd.
4.8.
Voor Dexia als een aan toezicht onderworpen effecteninstelling was het verboden om van een tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Omdat Dexia toch met Afnemer de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens Afnemer onrechtmatig gehandeld. Daarom moet Dexia de door Afnemer geleden schade vergoeden.
4.9.
De door Afnemer gevorderde verklaringen voor recht zullen worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar Afnemer tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen.
4.10.
De door Afnemer geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
4.11.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
4.12.
Dexia zal – voor het geval Dexia met betrekking tot Afnemer een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven – worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat Afnemer geen verplichtingen uit de overeenkomsten meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00.
4.13.
Dexia is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Afnemer worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 271,00 (1 x tarief € 271,00)
- nakosten
€ 135,00
Totaal € 640,47.
4.14.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

5.De beslissing

De kantonrechter,
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar Afnemer tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
5.2.
verklaart voor recht dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
5.3.
verklaart voor recht dat Afnemer de restschuld niet verschuldigd is,
5.4.
veroordeelt Dexia om binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan Afnemer te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 4.9.,
5.5.
veroordeelt Dexia – voor het geval Dexia met betrekking tot Afnemer een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat Afnemer geen verplichtingen uit de overeenkomsten meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00,
5.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 640,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
5.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door de mr. E.A.W. Schippers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026 in bijzijn van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).