ECLI:NL:RBDHA:2026:5300
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De minister heeft op 19 oktober 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft de maatregel eerder getoetst en verklaard rechtmatig tot 13 januari 2026, waarna dit vervolgberoep zich richt op de periode daarna.
Eiser heeft verzocht om gehoord te worden, maar de rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat het niet verplicht is en de stukken voldoende informatie bevatten. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij de uitzetting, mede omdat de voortgangsrapportage niet up-to-date is en onvoldoende inzicht geeft in de contacten met de Gambiaanse autoriteiten.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld door herhaaldelijk contact te zoeken met de Gambiaanse autoriteiten en vertrekgesprekken te voeren. De presentatie van eiser bij de Gambiaanse autoriteiten heeft plaatsgevonden, maar de verificatie van zijn nationaliteit duurt voort. Dit leidt niet tot het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
Eiser voert aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen en dat een lichter middel moet worden toegepast. De rechtbank stelt dat gedurende de eerste zes maanden van bewaring het belang van de minister zwaarder weegt en dat eiser geen nieuwe feiten heeft aangevoerd die een lichter middel rechtvaardigen. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig blijft en verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om schadevergoeding af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.