ECLI:NL:RBDHA:2026:639

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL26.916
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en zicht op uitzetting naar Gambia in bestuursrechtelijke procedure

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan de eiser heeft opgelegd. De eiser, die het niet eens is met deze maatregel, heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft beoordeeld of de minister de maatregel van bewaring rechtmatig heeft opgelegd. De rechtbank concludeert dat er geen gebrek aan zicht op uitzetting naar Gambia is, ondanks dat de minister nog geen laissez-passer heeft verkregen van de Gambiaanse autoriteiten. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken en stelt vast dat de minister rechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank heeft eerder op 31 oktober 2025 de maatregel van bewaring getoetst en concludeert dat deze nog steeds rechtmatig is. De rechtbank wijst het beroep van de eiser ongegrond en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.916

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de maatregel van bewaring aan eiser mocht opleggen. Het zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt namelijk niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 2 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1] Deze maatregel duurt nog voort.
2.1.
De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst op 31 oktober 2025. [2]
2.2.
De minister heeft op 7 januari 2026 de rechtbank van de maatregel van bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [3] Daarbij heeft de minister een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op die voortgangsrapportage gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft op 13 januari 2025 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Als de rechtbank vindt dat het toepassen of uitvoeren van de maatregel van bewaring niet klopt volgens de Vw 2000, of dat het, gezien alle belangen, in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij dat de maatregel wordt opgeheven of dat de uitvoering ervan wordt aangepast. [4]
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 oktober 2025 blijkt dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek waarop die uitspraak is gebaseerd, rechtmatig was. Daarom kijkt de rechtbank bij het beoordelen of de maatregel nog steeds rechtmatig is alleen naar de periode sinds het sluiten van dat onderzoek op 28 oktober 2025.
Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Gambia?
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Gambia. Hoewel de minister op 24 oktober 2025 een aanvraag voor een laissez-passer (lp) bij de Gambiaanse autoriteiten heeft ingediend, is er tot op heden geen lp verstrekt en is er geen presentatie gepland bij de Gambiaanse vertegenwoordiging. Nu de aanvraag bijna tweeënhalve maand zonder resultaat blijft en eiser zelf driemaal geprobeerd heeft contact te leggen met de ambassade, maakt dit dat er geen redelijk zicht op uitzetting meer is.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 augustus 2023. [5] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Daarom is er op dit moment geen reden om aan te nemen dat voor eiser geen lp wordt verstrekt. Dat er op dit moment nog geen presentatie is gepland en dat eiser zelf drie keer tevergeefs heeft geprobeerd om contact te leggen met de ambassade [6] , maakt het voorgaande niet anders. De minister is afhankelijk van de medewerking van de Gambiaanse autoriteiten en mag de tijd worden gegund om op hun reactie te wachten.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20089.
3.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
4.Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000
5.ABRvS 4 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3003.
6.Er werd volgens eiser niet opgenomen. Dit volgt uit het verslag van het vertrekgesprek dat heeft plaatsgevonden op 17 december 2025.
7.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (