ECLI:NL:RBDHA:2026:539
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf nareis
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verblijf bij haar moeder. De aanvraag was ingediend op 17 januari 2024, terwijl verweerder uiterlijk 16 juli 2024 had moeten beslissen. Omdat verweerder niet tijdig heeft beslist en na een rechtsgeldige ingebrekestelling op 26 september 2024, is het beroep tijdig ingesteld op 28 juli 2025.
De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht toegewezen. De rechtbank oordeelt dat bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning sprake is van een bijzonder geval, waardoor een langere beslistermijn dan de standaard twee weken passend is. Daarom legt de rechtbank een termijn van acht weken op waarbinnen verweerder een besluit moet nemen, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000, en tot betaling van reeds verbeurde dwangsommen van €1.442. Tevens worden de proceskosten van €467 aan eiseres toegekend. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen onder oplegging van dwangsommen.