Uitspraak
[eiser] ,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
1.1. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 13 mei 2024 afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.
1.2. In het bestreden besluit van 16 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb [1] gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.
Totstandkoming van het bestreden besluit
- verkoopfacturen in de periode van 6 september 2022 tot 12 juli 2024;
- een referentie van [bedrijf 3] , van 14 juli 2024;
- aangifte omzetbelasting van het 4e kwartaal van 2022, het 1e tot en met het 4e kwartaal van 2023 en het 1e en 2e kwartaal van 2024;
- aangifte inkomstenbelasting van 2022 en 2023; en
- de bankafschriften van de zakelijke rekening in de periode van 1 januari 2023 tot
Beoordeling door de rechtbank
15 juli 2024 meegestuurd. Ook is ten onrechte tegengeworpen dat eiser meer bewijs van werkervaring en/of referenties had moeten overleggen, nu eiser één referentie heeft overgelegd en dit voldoende is om een advies aan de RvO te vragen. Ook is besproken dat het klopt dat slechts een deel van de verkoopfacturen specifieke bedragen een uurtarieven bevat, maar dat eiser ook andere stukken heeft overgelegd waardoor een aantal bedragen toch te herleiden zijn. Uit de overgelegde afschriften van de zakelijke rekeningen blijkt dat hij daadwerkelijk is betaald voor zijn opdrachten. De factuur van 2 november 2022 is gespecificeerd: hierop staat dat eiser 17 uur heeft gewerkt voor een tarief van € 35,- per uur. De factuur van 13 juni 2023 is niet op deze manier gespecificeerd, maar hieruit blijkt wel dat eiser voor een opdracht aangenomen tegelwerk een totaalbedrag van € 1.000,- heeft gefactureerd. Eiser heeft dus zowel naar uurtarief gespecificeerde facturen als facturen waarbij op basis van lumpsum is gefactureerd overgelegd. Weliswaar blijkt niet uit alle facturen hoeveel uur hij heeft gewerkt, maar uit de facturen blijkt voldoende dat het om tegelwerk gaat. Daarbij komt dat bijlage 8aa bij het VV niet als vereiste stelt dat de verkoopfacturen gespecifieerd moeten zijn, maar enkel dat ter onderbouwing van eventuele al gerealiseerde omzetgegevens verkoopfacturen als bewijsmiddel toegevoegd moeten worden.