ECLI:NL:RBDHA:2026:5726

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 819
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K.B. Woe
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.81 Wet IB 2001Art. 10 lid 1 Wet LB 1964Art. 3.146 lid 1 Wet IB 2001Art. 6 EVRMArt. 7:661 BW
Verwijzingen
17 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding is geen negatief loon bij aanslag inkomstenbelasting 2020

Eiser is op staande voet ontslagen en veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen en proceskosten aan zijn voormalig werkgever. Bij de aanslag IB/PVV 2020 nam verweerder de door eiser opgegeven proceskostenvergoeding als negatief loon niet in aanmerking. Eiser stelde dat deze vergoeding wel als negatief loon moest worden beschouwd, omdat de betalingsverplichting in 2020 onherroepelijk was geworden.

De rechtbank oordeelt dat er geen causaal verband bestaat tussen de proceskostenvergoeding en de dienstbetrekking, omdat de vergoeding betrekking heeft op kosten van de gerechtelijke procedure en niet op schade tijdens de arbeidsovereenkomst. Bovendien is de vergoeding in 2018 betaald, zodat deze niet in 2020 in aanmerking kan worden genomen.

Eiser stelde ook dat de hoorplicht, het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces zijn geschonden, maar de rechtbank verwierp deze klachten. De belastingrente werd niet gematigd omdat de renteberekening correct was en niet door de bezwaarprocedure werd beïnvloed.

De rechtbank verlengde de redelijke termijn met drie maanden vanwege bijzondere omstandigheden, maar stelde vast dat de termijn uiteindelijk met elf maanden werd overschreden. Verweerder wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 1.000 en vergoeding van proceskosten van € 18,60. Het beroep wordt verder ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2020 wordt ongegrond verklaard; proceskostenvergoeding is geen negatief loon; immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/819

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2020 een definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 32.433 (de aanslag). Hierbij is € 85 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 december 2024 de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft voor de zitting een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser is op 29 mei 2012 op staande voet ontslagen door zijn voormalig werkgever (de werkgever).
2. De werkgever heeft eiser onder andere aansprakelijk gesteld op grond van artikel 7:661 Burgerlijk Pro Wetboek voor de schade die eiser tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst heeft toegebracht aan de werkgever. De civiele kamer van deze rechtbank heeft eiser op 7 juni 2017 veroordeeld tot het betalen van diverse schadevergoedingen aan de werkgever. [1] Daarnaast is eiser veroordeeld in de proceskosten van de werkgever voor een bedrag van € 16.487,95 (de proceskostenvergoeding).
3. Bij exploot van 4 juli 2017 heeft Groot & Evers gerechtsdeurwaarders de grosse van voormeld vonnis aan eiser betekend met het bevel om binnen twee dagen na de dag van betekening een bedrag van € 12.881.832,23 te voldoen. Tot dit bedrag behoort de proceskostenvergoeding. Op 29 januari 2018 heeft eiser een bedrag van € 29.053,76 betaald aan Groot & Evers gerechtsdeurwaarders.
4. De fiscale kwalificatie van de diverse schadevergoedingen die eiser aan de werkgever moet betalen, was onderwerp van procedures inzake de aan eiser opgelegde aanslag IB/PVV 2014 bij deze rechtbank [2] en gerechtshof Den Haag. [3]
5. Eiser heeft in zijn aangifte IB/PVV 2020 een negatief loon van € 34.350 aangegeven en € 17.862 aan ingehouden loonheffing. In een bericht aan verweerder van
26 september 2022 heeft eiser dit – voor zover hier van belang – als volgt toegelicht:
“Voor het jaar 2020 zijn de proceskosten zijnde € 16.487,95 (netto) afgetrokken. Het bedrag van € 16.487.95 is gebruteerd wat leidt tot een bedrag van € 34.350. De loonheffing is dan € 17.862, zijnde 52% van € 34.350.”.
6. Bij het opleggen van de onderhavige aanslag heeft verweerder van de aangifte IB/PVV 2020 afgeweken door de voornoemde bedragen niet in aanmerking te nemen.

Geschil7. In geschil is of (i) de aanslag en de rentebeschikking naar de juiste bedragen zijn opgelegd (ii) of de hoorplicht, het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces zijn geschonden.

8. Eiser stelt – kort en zakelijk weergegeven – dat de proceskostenvergoeding als negatief loon in aanmerking moet worden genomen conform de uitspraak van deze rechtbank over de aanslag IB/PVV 2014. [4] Eiser wijst er hierbij op dat gerechtshof Den Haag het oordeel van de rechtbank over de proceskostenvergoeding in stand heeft gelaten. [5] Eiser stelt dat de proceskostenvergoeding in 2020 in aanmerking dient te worden genomen, omdat in dat jaar de betalingsverplichting rechtens onherroepelijk is komen vast te staan. Verder stelt eiser dat verweerder bij de behandeling van het bezwaar de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het recht op een eerlijk proces heeft geschonden. Voorts heeft eiser verzocht om matiging van de belastingrente, aangezien verweerder er bijna twee jaar over heeft gedaan om uitspraak op bezwaar te doen en dit niet aan eiser te wijten is. Verder heeft eiser diverse grieven aangevoerd met betrekking tot de belastingjaren 2019, 2021, 2022 en 2023. Tot slot verzoekt eiser om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
9. Verweerder stelt – kort en zakelijk weergegeven – dat de aanslag en de rentebeschikking naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Met betrekking tot de proceskostenvergoeding stelt verweerder primair dat een in 2018 betaalde vergoeding niet in aftrek kan komen in 2020 en subsidiair dat de vergoeding geen negatief loon is. Bij beide standpunten vermeldt verweerder dat er geen loonheffing over de proceskostenvergoeding is afgedragen. De hoorplicht, het motiveringsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel zijn volgens verweerder niet geschonden. Tot slot stelt verweerder dat bij het bepalen van een eventuele overschrijding van de redelijke termijn rekening moet worden gehouden met de perioden van vertraging die te wijten zijn aan eiser.
Beoordeling van het geschil
Hoorplicht
10. Eiser stelt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, ondanks dat er op
6 december 2024 een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Volgens eiser had verweerder voorafgaand aan het hoorgesprek zijn voorlopige standpunt moeten bekendmaken en hadden de ambtenaren door wie eiser is gehoord geen kennis genomen van zijn bezwaar. Kort samengevat stelt eiser dat tijdens het hoorgesprek geen of in elk geval onvoldoende inzicht is gegeven in de aanslag, de reactie op het bezwaar en de juridische onderbouwing hiervan. Eiser stelt dat verweerder hiermee eveneens het zorgvuldigheidsbeginsel, het recht op een eerlijk proces en het motiveringsbeginsel heeft geschonden.
11. Anders dan eiser meent, zijn er geen wettelijke bepalingen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur die verweerder voorschrijven om voorafgaand aan of tijdens het hoorgesprek een voorlopig standpunt in te nemen. Uit het verslag van het hoorgesprek valt verder niet op te maken dat de ambtenaren geen kennis hadden van het bezwaar of dat zij eiser enkel hebben aangehoord. Uit het verslag blijkt juist dat de ambtenaren enige toelichting hebben gegeven, eiser hebben geïnformeerd over hun standpunt dat de proceskostenvergoeding in 2018 niet aftrekbaar is en dat er over en weer vragen zijn gesteld en beantwoord. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van schending van de hoorplicht, de door eiser genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur of – voor zover dit al van toepassing zou zijn – het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro.
Proceskostenvergoeding
12. Op grond van artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in samenhang met artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. Het begrip loon omvat zowel positief als negatief loon.
13. Voor de kwalificatie als negatief loon is een causaal verband vereist tussen de (terug)betaling en de dienstbetrekking. [6] Uit de jurisprudentie volgt dat sprake is van negatief loon als bijvoorbeeld een werknemer een vergoeding moet betalen aan zijn (voormalig) werkgever wegens het niet nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde van diens dienstbetrekking [7] of als de verplichting tot betaling geheel en rechtstreeks haar oorzaak vindt in de dienstbetrekking. [8]
14. Naar het oordeel van de rechtbank is er tussen de betaling van de proceskostenvergoeding en de voormalig dienstbetrekking van eiser geen causaal verband zoals hierboven beschreven. De proceskostenvergoeding is namelijk geen compensatie voor de schade die eiser tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst heeft toegebracht aan de werkgever, maar een compensatie voor de kosten die de werkgever heeft gemaakt voor het voeren van de gerechtelijke procedure, zoals het griffierecht, de beslagkosten en de advocaatkosten. [9] Dat de gerechtelijke procedure te maken heeft met de voormalige dienstbetrekking van eiser, betekent niet dat de betaling van de proceskostenvergoeding geheel en rechtstreeks haar oorzaak vindt in die dienstbetrekking. Anders dan eiser meent, volgt noch uit de uitspraak van deze rechtbank [10] noch uit die van het gerechtshof Den Haag [11] dat de proceskostenvergoeding als negatief loon in aanmerking moet of kan worden genomen. Deze uitspraken zien immers uitsluitend op de fiscale kwalificatie van de schadevergoedingen welke voortvloeien uit het vonnis van 7 juni 2017. [12] Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de proceskostenvergoeding naar het oordeel van de rechtbank geen negatief loon. [13]
15. Ten overvloede vermeldt de rechtbank het volgende. Artikel 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat loon wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop het is ontvangen, verrekend, ter beschikking is gesteld, rentedragend is geworden of vorderbaar en inbaar is geworden. Beide partijen stellen dat de proceskostenvergoeding is betaald in 2018 en de rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Zelfs als de proceskostenvergoeding zou kwalificeren als negatief loon, dan zou deze vergoeding gelet op het genietingsmoment in 2018 niet in 2020 in aanmerking kunnen worden genomen. Het feit dat het gerechtshof in voornoemde procedure in 2020 uitspraak heeft gedaan, maakt dit niet anders.
Belastingrente
16. Eiser heeft de rechtbank verzocht de belastingrente te matigen. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat verweerder er bijna twee jaar over heeft gedaan om tot een uitspraak op bezwaar te komen, dat bij de bezwaarbehandeling meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden en dat de lange behandelduur niet aan eiser is te wijten. Deze stelling treft geen doel, omdat de hoogte van de belastingrente niet is beïnvloed door de behandelduur van het bezwaar. De rentebeschikking is immers reeds vastgesteld bij de aanslag en berekend over de periode van 1 juli 2021 tot 21 januari 2022. Verder is niet gesteld of gebleken dat de belastingrente naar een onjuist bedrag in rekening is gebracht. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de belastingrente te matigen.
Reikwijdte procedure
17. Eiser stelt dat verweerder tijdens de behandeling van het onderhavige bezwaar aanleiding heeft gevonden om de aangiften IB/PVV over de jaren 2019, 2021, 2022 en 2023 opnieuw te beoordelen. In dit kader verzoekt eiser de rechtbank om (i) te toetsen of de informatieverzoeken van verweerder voor deze jaren rechtmatig zijn en (ii) de voor deze jaren opgelegde navorderingsaanslagen ongegrond te verklaren. Zoals ook ter zitting aan eiser uitgelegd, maken deze informatieverzoeken en navorderingsaanslagen geen onderdeel uit van de onderhavige procedure. De rechtbank zal hier daarom verder niet op in gaan.
Conclusie
18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de aanslag en de rentebeschikking niet te hoog vastgesteld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
19. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt behoudens bijzondere omstandigheden in dit verband als redelijk beschouwd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding geldt een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
20. Verweerder stelt dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven de redelijke termijn te verlengen. Oorspronkelijk had verweerder het standpunt ingenomen dat de termijnoverschrijding voor in totaal 46 weken en 3 dagen te wijten is aan eiser. Verweerder had dit berekend aan de hand van twee periodes, te weten i) 7 maart 2023 tot en met 23 oktober 2023 en ii) 27 juni 2024 tot en met 30 september 2024. Tijdens de zitting heeft verweerder dit standpunt bijgesteld naar 13 weken en 4 dagen (uitsluitend de tweede periode). Verweerder heeft in dit kader aangevoerd dat eiser op
27 juni 2024 is uitgenodigd voor een hoorgesprek, maar dat dit hoorgesprek op verzoek van eiser is uitgesteld totdat deze rechtbank uitspraak had gedaan in een procedure over de aanslag IB/PVV 2018. [14] Vervolgens heeft verweerder op 2 augustus 2024 eiser opnieuw uitgenodigd voor een hoorgesprek. Hierop heeft eiser aangegeven dat een hoorgesprek in augustus en september lastig voor hem was, omdat hij bezig was met een cassatieberoep.
21. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn wegens bijzondere omstandigheden verlengd dient te worden. [15] De vertraging vanwege het uitstellen van het hoorgesprek tot na september 2024 is veroorzaakt door (i) het verzoek van eiser om een andere beroepsprocedure af te wachten en (ii) diens beperkte beschikbaarheid in augustus en september 2024. De rechtbank weegt hierbij mee dat uit de gedingstukken blijkt dat verweerder vanaf 27 juni 2024 de voortgang van de bezwaarbehandeling actief heeft bewaakt. In oktober en november 2024 heeft verweerder bijvoorbeeld ook meerdere malen geprobeerd het hoorgesprek te plannen. De rechtbank verlengt de redelijke termijn conform het standpunt van verweerder met 13 weken en 4 dagen (ongeveer drie maanden).
22. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 30 januari 2023 en de rechtbank doet op 17 maart 2026 uitspraak. Dit betekent dat de verlengde redelijke termijn van twee jaar en drie maanden is overschreden met, naar boven afgerond, elf maanden. Aangezien op 20 december 2024 uitspraak op bezwaar is gedaan, is deze termijnoverschrijding geheel toerekenbaar aan de bezwaarfase. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.
Proceskosten
23. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 18,60 (reiskosten openbaar vervoer tweede klas retour).
24. Conform het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [16] zal de rechtbank geen vergoeding van het griffierecht toekennen, aangezien het beroep zelf ongegrond dient te worden verklaard en uitsluitend een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend. Het overgangsrecht genoemd in het arrest geldt niet in dit geval, aangezien eiser niet voorafgaand aan 31 mei 2024 heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiser ten bedrage van
€ 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 18,60.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.B. Woe, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag 7 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6067.
2.Rechtbank Den Haag 13 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:9725.
3.Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2097.
4.Rechtbank Den Haag 13 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:9725.
5.Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2097.
6.Hoge Raad 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR4559.
7.Hoge Raad 27 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7257.
8.Hoge Raad 5 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1942.
9.Rechtbank Den Haag 7 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6067, r.o. 6.228.
10.Rechtbank Den Haag 13 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:9725.
11.Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2097.
12.Rechtbank Den Haag 7 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6067.
13.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7373, r.o. 4.10.
14.Rechtbank Den Haag 25 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12644.
15.Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.