ECLI:NL:RBDHA:2026:5732

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/09/688587 / HA ZA 25-630
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 267 VWEUArt. 81 ROArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onrechtmatige rechtspraak Hoge Raad inzake pensioenplicht franchisenemers Domino’s Pizza

De eiser, franchisenemer van Domino’s Pizza, vordert een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de Hoge Raad die zijn cassatieberoep inzake pensioenplicht van franchisenemers heeft verworpen zonder prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU.

De procedure betreft de uitleg van het Verplichtstellingsbesluit pensioenfonds detailhandel, waarbij de Hoge Raad oordeelde dat franchisenemers onder de werkingssfeer vallen en pensioenpremies moeten betalen. De eiser stelt dat de Hoge Raad het Unierecht en het recht op effectieve rechtsbescherming heeft geschonden door geen prejudiciële vragen te stellen.

De rechtbank overweegt dat het Unierecht niet van toepassing was op de zaak, omdat het een zuiver nationale kwestie betreft zonder grensoverschrijdend karakter. De Hoge Raad was daarom niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. De vordering tot aansprakelijkheid wegens onrechtmatige rechtspraak wordt afgewezen.

De eiser wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. De rechtbank benadrukt dat de financiële gevolgen van de pensioenvordering een aparte kwestie vormen die de eiser met het pensioenfonds moet oplossen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt de eiser in de proceskosten wegens het ontbreken van onrechtmatige rechtspraak door de Hoge Raad.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/688587 / HA ZA 25-630
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiser]als eenmanszaak handelend onder de naam
[handelsnaam]te [woonplaats],
eiser,
hierna te noemen: ‘[eiser]’,
advocaat: mr. H. van Meerten,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: ‘de Staat’,
advocaat: mr. G.A. Dictus.
De zaak is voor de Staat inhoudelijk behandeld door mr. Dictus voornoemd en mr. R. van der Straten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 15 juli 2025, met twee producties;
  • de conclusie van antwoord, zonder producties;
  • het tussenvonnis van 5 november 2025 waarbij een datum voor een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Partijen, behalve [eiser] die niet is verschenen, en hun advocaten hebben hun standpunten toegelicht mede aan de hand van pleitnotities, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat ter zitting is besproken.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] exploiteert als franchisenemer een aantal vestigingen van (franchisegever) Domino’s Pizza.
2.2.
[eiser] heeft samen met circa 50 andere franchisenemers van Domino’s Pizza (hierna samen: ‘de franchisenemers’) geprocedeerd tegen Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel (hierna: ‘het pensioenfonds’). Het pensioenfonds voert een verplicht gestelde pensioenregeling uit in de zin van de Wet verplichte deelneming in een Bedrijfstakpensioenfonds 2000 voor de sector detailhandel en int de premies van werkgevers die onder die regeling vallen.
2.3.
In de genoemde procedure (zie 2.2) stond centraal de vraag of de franchisenemers onder de werkingssfeer vallen van het Besluit verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel (hierna: ‘het Verplichtstellingsbesluit’). Als dit het geval is, zijn de franchisenemers verplicht hun werknemers aan te melden als deelnemer aan het pensioenfonds en gegevens over hun werknemers te verstrekken en om premie te betalen aan het pensioenfonds.
2.4.
Het Verplichtstellingsbesluit bepaalt dat de deelneming in het pensioenfonds verplicht is voor de natuurlijke of rechtspersoon die de detailhandel uitoefent. Het begrip ‘detailhandel’ is onder I van het Verplichtstellingsbesluit als volgt omschreven:
“c.
detailhandel:
1. het bedrijf van het kopen en aan particulieren verkopen van waren;
2. het vervullen van de functie van het in een winkel aan particulieren verkopen van waren anders dan in de uitoefening van een bedrijf bedoeld onder 1, een en ander met uitzondering van het apothekersbedrijf.”
In het Verplichtstellingsbesluit is verder bepaald dat de verplichtstelling onder meer niet geldt voor de werknemers in de detailhandel die werkzaam zijn bij een “(…) werkgever, in wiens onderneming de detailhandel in loonbedrag overtroffen wordt door het loonbedrag in verband met andere in die onderneming plaatsvindende bedrijvigheid” (bepaling I.1.c) en voor de werknemers werkzaam in de detailhandel die “ingevolge enige beschikking krachtens artikel 3, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (…) verplicht zijn tot deelneming in een ander bedrijfstakpensioenfonds (…)” (bepaling I.1.d).
2.5.
De franchisenemers hebben zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat zij niet zijn aan te merken als werkgevers die detailhandel uitoefenen zoals bedoeld in het Verplichtstellingsbesluit, omdat zij, kort gezegd, geen wederverkopers zijn, pizza’s geen waren zijn en hun vestigingen geen winkels zijn.
2.6.
De rechtbank [1] en het hof [2] hebben geoordeeld dat de franchisenemers wèl onder het Verplichtstellingsbesluit vallen. De vorderingen van de franchisenemers zijn afgewezen. De franchisenemers hebben tegen het arrest van het hof cassatieberoep ingesteld.
2.7.
Advocaat-Generaal mr. Drijber [3] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Zijn conclusie houdt onder meer het volgende in.
“4.1 Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 klaagt over de uitleg van de werkingssfeerbepaling onder I.c.1 van het Verplichtstellingsbesluit. Onderdeel 2 betoogt dat het hof ten onrechte de uitzonderingsbepaling van het Verplichtstellingsbesluit niet van toepassing acht op de activiteiten van de franchisenemers.
4.2
Ter inleiding merk ik op dat het deze zaak niet een geschil betreft over de afbakening tussen de werkingssfeer van twee verplichtstellingsbesluiten. De franchisenemers stellen bijvoorbeeld niet dat hun werknemers onder het Pensioenfonds Horeca vallen.(…) Zij hebben geen pensioenvoorziening voor hun werknemers getroffen en willen dat kennelijk graag zo houden. Voorts wijs ik erop dat deze zaak niet gaat over de vraag of de pizzakoeriers en andere medewerkers van de franchisenemers ‘werknemer’ zijn zoals omschreven in bepaling I.a.1 van het Verplichtstellingsbesluit. (…)
4.15 (…).
Het feit dat de uitleg van het hof leidt tot een ruimer toepassingsbereik van het Verplichtstellingsbesluit dan in de door de franchisenemers voorgestane uitleg vormt op zich geen argument om hun beperkende uitleg te volgen en in bepaling I.c.1
in te lezendat het moet gaan om bedrijfsmatige koop en verkoop van dezelfde, onbewerkte waren.(…) Het hof heeft de aannemelijkheid van de gevolgen van zijn oordeel meegewogen in rov. 2.14-2.15:
“2.14 Het Verplichtstellingsbesluit kent een uitzonderingsbepaling voor werknemers die verplicht zijn tot deelneming in een ander bedrijfstakpensioenfonds. De franchisenemers voeren aan dat de bij het Verplichtstellingsbesluit betrokken werkgeversvertegenwoordigers op één na allemaal ‘klassieke’ wederverkopers zijn, terwijl hun bedrijfsactiviteiten veeleer gezien worden als horeca-activiteiten. Bij de belastingdienst zijn zij ingedeeld in de sector Horeca en zij worden door de Kamer van Koophandel meestal ingedeeld in de categorie 56 (eet- en drinkgelegenheden). Ook het publiek associeert hun vestigingen volgens de franchisenemers niet met detailhandel.
2.15
Het hof volgt de franchisenemers niet. Vaststaat dat de franchisenemers niet onder de werkingssfeer van de Stichting Pensioenfonds Horeca & Catering vallen, omdat (in elk geval de meeste vestigingen van) de franchisenemers geen restaurantfunctie hebben. Er worden bij de vestiging pizza’s afgehaald door particulieren of er worden vanuit de vestiging pizza’s bezorgd bij particulieren. Hoewel de bedrijfsactiviteiten ook verwantschap hebben met de horeca-branche, vallen de franchisenemers dus niet onder de uitzonderingsbepaling van het Verplichtstellingsbesluit.”
Dit oordeel van het hof is niet onjuist of onbegrijpelijk, en wordt door het onderdeel niet bestreden. De klachten kunnen daarom niet slagen. (…)
4.2
De klachten gaan uit van een verkeerde lezing van het arrest, waar zij betogen dat het hof met toepassing van het omzetcriterium de activiteiten van bereiding en bezorging van pizza’s heeft toegerekend aan de verkoop ervan. Het hof heeft in rov. 2.17 slechts overwogen dat de franchisenemers hun omzet behalen uit, en zich dus bezig houden met, de verkoop van pizza’s. Vervolgens komt het hof tot een toepassing van bepaling I.1.c door te toetsen of het loonbedrag voor de detailhandel, i.c. de verkoop van pizza’s, in de onderneming wordt overtroffen door het loonbedrag voor de andersoortige bedrijfsactiviteiten van de onderneming, i.c. de bereiding en bezorging van pizza’s.
4.21
Het hof geeft hier kennelijk toepassing aan de rechtspraak over de zogenaamde ‘hoofdzakelijkheidscriteria’, zoals opgenomen in werkingssfeerbepalingen van cao’s en in verplichtstellingsbesluiten, op grond waarvan werkzaamheden die dienstbaar zijn aan de werkzaamheden die onder de werkingssfeer van de cao of het besluit vallen, aan die laatste werkzaamheden redelijkerwijs kunnen worden toegerekend. (…) Met zijn oordeel dat de kernactiviteit het verkopen van pizza’s is en het bereiden en bezorgen van die pizza’s daaraan dienstbaar (en daarvoor noodzakelijk) zijn, heeft het hof bepaling I.1.c van het Verplichtstellingsbesluit niet onjuist toegepast.”
2.8.
Bij arrest van 25 november 2022 [4] heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de franchisenemers verworpen:
“De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).”

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank recht verklaart dat de Staat jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade wegens onrechtmatige rechtspraak van de Hoge Raad en dat zij de Staat veroordeelt tot voldoening van een schadevergoeding aan [eiser] (nader op te maken bij staat), met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] legt het volgende aan de vordering ten grondslag. Het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2022 (2.8) is onrechtmatig en leidt tot staatsaansprakelijkheid in de zin van het
Köbler-arrest [5] , omdat:
de Hoge Raad geen prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de EU over de verenigbaarheid van het Verplichtstellingsbesluit met het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel, terwijl hij dit wel had moeten doen, in strijd met artikel 267 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en;
de Hoge Raad met de verkorte motivering op grond van artikel 81 RO Pro in strijd met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), het recht op effectieve rechtsbescherming, en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het cassatieberoep heeft verworpen, zonder te motiveren waarom hij geen prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJ EU.
3.3.
De Staat voert verweer en concludeert zakelijk tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Een lidstaat van de EU is op grond van het Unierecht aansprakelijk voor schade die particulieren lijden als gevolg van schendingen van het Unierecht die hem kunnen worden toegerekend. Uit het
Köbler-arrest [6] , volgt dat voor het aannemen van staatsaansprakelijkheid vereist is dat:
  • het geschonden voorschrift van Unierecht ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen;
  • sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van dat voorschrift; en;
  • er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen deze schending en de door de particulieren geleden schade.
4.2.
Uit vaste rechtspraak van het HvJ EU volgt sinds het
Köbler-arrest dat deze aansprakelijkheid en voorwaarden ook gelden met betrekking tot de beslissing van een in laatste aanleg oordelende nationale rechter (de Hoge Raad), zij het dat de betrokken lidstaat (Nederland) daarvoor slechts aansprakelijk kan worden gehouden in het uitzonderlijke geval waarin die rechter het toepasselijke Unierecht
kennelijkheeft geschonden. Om te bepalen of aan die voorwaarde is voldaan moet de rechter die over de aansprakelijkheid oordeelt alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, waaronder de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de vraag of de schending opzettelijk is begaan, eventuele verschoonbaarheid van de rechtsdwaling, het eventueel door een unie-instelling ingenomen standpunt en de schending door de betrokken rechter van zijn verplichting om op grond van artikel 267, derde alinea, VWEU een prejudiciële vraag te stellen. De gestelde schending van het Unierecht is in ieder geval voldoende gekwalificeerd wanneer de in laatste aanleg oordelende rechter de rechtspraak van het HvJ EU met betrekking tot het toepasselijke Unierecht kennelijk heeft miskend bij het nemen van zijn beslissing. [8]
4.3.
De Staat stelt zich kort gezegd op het standpunt dat geen sprake is van onrechtmatige rechtspraak in de zin van het Köbler-arrest, primair omdat de Köbler-aansprakelijkheidsnorm in dit geval niet van toepassing is en subsidiair omdat de (strikte) Köbler-voorwaarden voor staatsaansprakelijkheid niet zijn vervuld.
4.4.
Het verweer van de Staat slaagt. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.5.
Artikel 267 VWEU Pro bepaalt dat, indien een vraag over de uitleg van een EU regeling wordt opgeworpen voor een nationale rechter van een lidstaat, deze rechter, indien hij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van zijn vonnis, het HvJ EU kan verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. Indien een dergelijke vraag wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een rechter waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, een in laatste instantie oordelende rechter, is deze gehouden zich tot het HvJ EU te wenden.
4.6.
In het
Kubera-arrest is onder meer geoordeeld dat uit het bij artikel 267 VWEU Pro ingevoerde stelsel, gezien in het licht van artikel 47 tweede Pro alinea van het Handvest, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, volgt dat wanneer een in laatste instantie oordelende rechter van oordeel is dat hij een voor hem opgeworpen vraag van uitleg van Unierecht niet hoeft te verwijzen, uit de motivering van zijn beslissing moet blijken hetzij dat die vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil, hetzij dat sprake is van een
acte éclairé(de betrokken bepaling van Unierecht is al door het HvJ EU uitgelegd), hetzij, bij gebreke van rechtspraak dienaangaande, sprake is van een
acte clair(de juiste uitlegging van het Unierecht is zo evident dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan). [9]
4.7.
Uit het vonnis van de rechtbank en het arrest van het hof (2.6) volgt dat deze procedures betrekking hadden op de vraag of de activiteiten van de franchisenemers zijn aan te merken als detailhandel in de zin van het Verplichtstellingsbesluit. Daarbij spitste het geschil tussen partijen zich toe op de uitleg van artikel I.c.1. van dat besluit en op de vraag of pizza’s zijn te kwalificeren als ‘waren’ en of sprake is van koop en verkoop van dezelfde waren als bedoeld in dat artikel. De rechtbank en het hof hebben deze vragen bevestigend beantwoord en hebben geoordeeld dat geen sprake is van een uitzondering op de verplichtstelling van de deelneming. Ook het cassatieberoep betrof de vraag of de franchisenemers onder de werkingssfeer vallen van het Verplichtstellingsbesluit, zie 2.7. De klachten van de franchisenemers zijn met toepassing van art. 81 RO Pro verworpen.
4.8.
Voldoende gebleken is dat het Unierecht geen enkele rol heeft gespeeld in voormelde (cassatie)procedure. Geen van partijen heeft zich in de procedure op enig moment beroepen op het vrij verkeer van diensten/het Unierecht, laat staan dat een van partijen aan de Hoge Raad heeft verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De A-G is in zijn conclusie evenmin op het Unierecht ingegaan (2.7). Dit was in dit geval ook logisch omdat de zaak überhaupt niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht viel. Het geschil tussen [eiser] (de franchisenemers) en het pensioenfonds betrof immers een zuiver interne situatie, binnen één lidstaat (Nederland). [eiser] (de franchisenemers) is (zijn) in Nederland gevestigd en biedt (bieden) geen diensten aan vanuit een andere EU-lidstaat op de Nederlandse markt. De kwestie had geen grensoverschrijdend karakter; het vrij verkeer van diensten was niet aan de orde. Het ging om nationale pensioenregelgeving, terwijl het Verplichtstellingsbesluit ook geen uitvoering of implementatie van Unierecht betrof. Toepassing van het Unierecht was dus eenvoudigweg niet aan de orde.
4.9.
Een aangelegenheid die niet onder de reikwijdte van het Unierecht valt, kan volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU ook niet alsnog met een beroep op rechtsbeginselen of fundamentele rechten onder de reikwijdte van het Unierecht worden gebracht. [10] Dit betekent dat het Handvest niet van toepassing is (zie artikel 51 van Pro het Handvest). [11] Tot slot is van belang dat als een kwestie niet binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie valt, het HvJ EU volgens vaste rechtspraak niet bevoegd is om daarover uitspraak te doen en de eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zich niet de grondslag kunnen vormen voor die bevoegdheid. [12]
4.10.
Kortom: 1) het Unierecht was niet van toepassing, 2) de Hoge Raad was niet gehouden ambtshalve aan het (in het Handvest neergelegde) Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel te toetsen en 3) niet verplicht om zo nodig prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, laat staan dat hij 4) gehouden was te motiveren waarom hij daartoe in dit geval geen aanleiding zag. Daarbij geldt tot slot dat, als de Hoge Raad al vragen zou hebben gesteld, aangenomen moet worden dat het HvJ EU deze vragen niet zou hebben beantwoord. Van onrechtmatige rechtspraak wegens schending van de Köbler-aansprakelijkheidsnorm is dus geen sprake.
4.11.
[eiser] heeft zich niet beroepen op de (vaste) nationale jurisprudentie [13] over onrechtmatige rechtspraak. Hij heeft ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een beroep daarop zouden kunnen rechtvaardigen. Gesteld noch gebleken is dat de Hoge Raad bij de voorbereiding van zijn rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. De vorderingen van [eiser] zullen hierom worden afgewezen.
4.12.
Ter zitting is duidelijk geworden dat de pijn er voor [eiser] (en de andere franchisenemers) vooral in schuilt dat het pensioenfonds, met het arrest van de Hoge Raad in de hand, tracht om met terugwerkende kracht en over een periode van soms wel vijfentwintig jaar achterstallige pensioenpremies te innen. Hierdoor dreigen franchisenemers, die daarmee geen rekening hebben gehouden, in grote financiële problemen te komen. Hieromtrent geldt dat dit een andere kwestie betreft dan [eiser] aan zijn vorderingen tegen de Staat ten grondslag heeft gelegd. [eiser] zal hierover met het pensioenfonds in overleg moeten treden. Als dit niet tot een bevredigend resultaat leidt, zal hij daarover zo nodig een procedure moeten aanspannen tegen het pensioenfonds.
Proceskosten
4.13.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Op vordering van de Staat zal dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
Type: 2513.

Voetnoten

1.Rb. Midden-Nederland 27 november 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:6141.
2.Hof Arnhem-Leeuwarden 9 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2263.
3.PHR 13 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:477, vanaf 4.1 bij HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1732.
4.HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1732.
5.HvJ EG 30 september 2003, zaak C-224/01, ECLI:EU:C:2003:513, (
6.HvJ EG 30 september 2003, zaak C-224/01, ECLI:EU:C:2003:513, (
7.Hof Den Haag 20 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:29, r.o. 7.5 e.v.
8.Hof Den Haag 20 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:29, r.o. 7.5 e.v.
9.HvJ EU 15 oktober 2024, C-144/23, ECLI:EU:C:2024:881
10.HVJ EU 1 maart 2011, zaak C-457/09, ECLI:EU:C:2011:101 (Claude Charty), punt 21-26.
11.Hof Den Haag, 28 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2301, r.o. 6.4.
12.HvJ EU 1 december 2016, zaak C-395/15, ECLI:EU:C:2016:917 (Daouidi), punt 63; HVJ EU 27 maart 2024, zaak C-265/13, ECLI:EU:C:2014:187 (Marcos), punt 30.
13.HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2308, NJ 1997, 380 r.o. 3.2 (