Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
[handelsnaam]te [woonplaats],
1.De procedure
- de dagvaarding van 15 juli 2025, met twee producties;
- de conclusie van antwoord, zonder producties;
- het tussenvonnis van 5 november 2025 waarbij een datum voor een mondelinge behandeling is bepaald.
2.De feiten
detailhandel:
in te lezendat het moet gaan om bedrijfsmatige koop en verkoop van dezelfde, onbewerkte waren.(…) Het hof heeft de aannemelijkheid van de gevolgen van zijn oordeel meegewogen in rov. 2.14-2.15:
3.Het geschil
Köbler-arrest [5] , omdat:
4.De beoordeling
Köbler-arrest [6] , volgt dat voor het aannemen van staatsaansprakelijkheid vereist is dat:
- het geschonden voorschrift van Unierecht ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen;
- sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van dat voorschrift; en;
- er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen deze schending en de door de particulieren geleden schade.
Köbler-arrest dat deze aansprakelijkheid en voorwaarden ook gelden met betrekking tot de beslissing van een in laatste aanleg oordelende nationale rechter (de Hoge Raad), zij het dat de betrokken lidstaat (Nederland) daarvoor slechts aansprakelijk kan worden gehouden in het uitzonderlijke geval waarin die rechter het toepasselijke Unierecht
kennelijkheeft geschonden. Om te bepalen of aan die voorwaarde is voldaan moet de rechter die over de aansprakelijkheid oordeelt alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, waaronder de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de vraag of de schending opzettelijk is begaan, eventuele verschoonbaarheid van de rechtsdwaling, het eventueel door een unie-instelling ingenomen standpunt en de schending door de betrokken rechter van zijn verplichting om op grond van artikel 267, derde alinea, VWEU een prejudiciële vraag te stellen. De gestelde schending van het Unierecht is in ieder geval voldoende gekwalificeerd wanneer de in laatste aanleg oordelende rechter de rechtspraak van het HvJ EU met betrekking tot het toepasselijke Unierecht kennelijk heeft miskend bij het nemen van zijn beslissing. [8]
Kubera-arrest is onder meer geoordeeld dat uit het bij artikel 267 VWEU Pro ingevoerde stelsel, gezien in het licht van artikel 47 tweede Pro alinea van het Handvest, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, volgt dat wanneer een in laatste instantie oordelende rechter van oordeel is dat hij een voor hem opgeworpen vraag van uitleg van Unierecht niet hoeft te verwijzen, uit de motivering van zijn beslissing moet blijken hetzij dat die vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil, hetzij dat sprake is van een
acte éclairé(de betrokken bepaling van Unierecht is al door het HvJ EU uitgelegd), hetzij, bij gebreke van rechtspraak dienaangaande, sprake is van een
acte clair(de juiste uitlegging van het Unierecht is zo evident dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan). [9]