Conclusie
franchisenemersen
Bpf Detailhandel.
1.Inleiding
het Verplichtstellingsbesluit). [1] Als dat het geval is, dan zijn de franchisenemers verplicht om hun werknemers als deelnemer aan te melden, gegevens over hen te verstrekken en pensioenpremie aan Bpf Detailhandel af te dragen.
2.Feiten
“(…) werkgever, in wiens onderneming de detailhandel in loonbedrag overtroffen wordt door het loonbedrag in verband met andere in die onderneming plaatsvindende bedrijvigheid” (bepaling I.1.c) en voor de werknemers werkzaam in de detailhandel die “
ingevolge enige beschikking krachtens artikel 3, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (…) verplicht zijn tot deelneming in een ander bedrijfstakpensioenfonds (…)” (bepaling I.1.d).
3.Procesverloop
waren. Ook in de visie van de franchisenemers staat vast dat winkels waar etenswaren verkocht worden, behoren tot de detailhandel. Voorts maakt het gegeven dat aan de verkoop van pizza’s een bereidingsproces voorafgaat, niet dat een pizza geen ‘waar’ meer is. Ook bewerkte of bereide etenswaren zijn ‘waren’. De franchisenemers betwisten ook niet dat het (eind)product pizza een ‘waar’ is’.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
rov. 2.12, waarin het hof het begrip ‘waren’ uit bepaling I.c.1 van het Verplichtstellingsbesluit uitlegt opp basis van de cao-uitlegnorm. Deze rechtsoverweging, en de daaraan voorafgaande rov. 2.11, luiden als volgt:
Dezelfde term wordt niet voor verschillende begrippen gebruikt.”). [8]
etenswarenen het verkopen van
etenswarenaan particulieren. Het hof heeft de tekst van bepaling I.c.1 uitgelegd in de context van het gehele Verplichtstellingsbesluit.
punt 5klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat de franchisenemers
geen wederverkoperszijn. Bepaling I.c.1 moet volgens de franchisenemers aldus worden uitgelegd dat de bedrijfsactiviteiten in de detailhandel moeten bestaan uit het kopen en aan particulieren verkopen van
dezelfdewaren, en niet zoals het hof heeft geoordeeld, het kopen van ingrediënten om pizza’s te maken en het verkopen van pizza’s.
etenswarenaan particulieren, en dat het hof in dit oordeel heeft betrokken dat de franchisenemers de ingekochte waren gebruiken om de pizza’s te bereiden voorafgaand aan de verkoop aan particulieren. De tekst van bepaling I.c.1 biedt onvoldoende aanknopingspunten om daarin, met de franchisenemers, te lezen dat het slechts gaat om klassieke gevallen van wederverkoop, waarbij ingekochte waren in ongewijzigde staat worden doorverkocht. [10] De enkele bewerking van etenswaren, zoals het beleggen van broodjes of het opwarmen van snacks etc., kan de verkoop ervan niet aan de werkingssfeer van de detailhandel onttrekken. Dit wordt anders als een winkel (tevens) een restaurantfunctie heeft, maar de vestigingen van de franchisenemers hebben dat niet. [11]
onderdeel 1, punt 4 en punt 6heeft het hof zich bij de uitleg evenmin (kenbare) rekenschap gegeven van de
contextvan bepaling I.c.1 binnen het Verplichtstellingsbesluit, de op andere plaatsen van dat besluit gebezigde formuleringen en de ratio van die bepaling. Onder
punten 7-11klaagt het middel dat het hof voorbijgegaan is aan de essentiële stellingen dat i) het begrip ‘waren’ ziet op zowel de ingekochte als de verkochte waren, hetgeen onmiskenbaar wijst op de wederverkoop van (dezelfde) waren, en niet op de situatie dat er ingrediënten worden ingekocht op basis waarvan een nieuw eindproduct wordt gemaakt dat vervolgens wordt verkocht [12] (
punt 7), en ii) de werkgeversvertegenwoordigers bij het opstellen van het Verplichtstellingsbesluit op één uitzondering na allemaal ‘klassieke’ wederverkopers zijn [13] (
punt 8). In de
punten 9 en 10betoogt het onderdeel dat de uitleg van het hof ertoe leidt dat een deel van de tekst van de bepalingen I.c.1 en I.c.2 van het Verplichtstellingsbesluit zinloos worden. Als er namelijk geen relatie hoeft te bestaan tussen de ‘waar’ die wordt ingekocht en de ‘waar’ die aan particulieren wordt verkocht, is de inkoop in feite niet relevant, zodat het enige relevante criterium van bepaling I.c.1 ‘
het aan particulieren verkopen van een waar’is en het onderscheid wegvalt met bepaling I.c.2, inhoudende dat onder ‘detailhandel’ ook wordt verstaan het vervullen van de functie van het in een winkel aan particulieren verkopen van waren anders dan in de uitoefening van een bedrijf, zoals bedoeld onder 1.
Punt 11wijst op de ratio van de bepaling en het karakter van wederverkoop bij detailhandel. [14]
punt 7 en 11dat de uitleg van het begrip ‘waren’ in bepaling I.c.1 niet twee verschillende betekenissen kan hebben, vormt een herhaling van de rechtsklacht in punt 5 en kan om dezelfde redenen niet slagen. Waar het onderdeel klaagt dat het hof met zijn uitleg voorbij is gegaan aan, kort gezegd, de totstandkoming en ratio van het Verplichtstellingsbesluit als slechts van toepassing op detaillisten, faalt het evenzeer. Ik merk nog op dat op grond van de cao-norm de
bedoelingvan opstellers slechts relevant is voor zover deze blijkt uit het Verplichtstellingsbesluit. Bepaling I.c.1, waarin de definitie van detailhandel in de zin van het Verplichtstellingsbesluit wordt gegeven, bevat niet het vereiste van wederverkoop of de voorwaarde van ‘dezelfde, onbewerkte’ waren. Het hof heeft terecht deze vereisten ook niet ingelezen in de bepaling. Het argument dat de werkgeversvertegenwoordigers die betrokken waren bij het opstellen van het Verplichtstellingsbesluit ( ‘klassieke’ wederverkopers zijn, maakt dit alles niet anders.
de stellingen van de franchisenemers over het bereiden van de pizza’s via een ambachtelijk proces en over de wijziging van de chemische samenstelling van de ingekochte ingrediënten tot een pizza als een verkocht eindproduct niet van belang” zijn, want “
ook als daarvan sprake is, valt de verkoop van pizza’s onder de werkingssfeerbepaling” (rov. 2.12). [15]
onjuistis, nu het hof zich er geen rekenschap van heeft gegeven of de rechtsgevolgen waartoe deze (en andere mogelijke) tekstinterpretaties zouden leiden aannemelijk zijn, en dat die uitleg eveneens
onbegrijpelijkis omdat uit onderdeel 1, punten 8-11 volgt dat die uitleg leidt tot onaannemelijke gevolgen. Het onderdeel acht het oordeel in elk geval onvoldoende gemotiveerd. Het hof zou voorbij zijn gegaan aan de stelling van de franchisenemers dat een zo ruime uitleg van het begrip ‘waren’ het bereik van het Verplichtstellingsbesluit uitbreidt tot ver buiten de activiteiten die een gemiddelde werkgever met detailhandel associeert, waardoor een overlap in werkingssfeer zou ontstaan met besluiten van andere bedrijfstakpensioenen met afbakeningsdiscussies tot gevolg. [16]
in te lezendat het moet gaan om bedrijfsmatige koop en verkoop van dezelfde, onbewerkte waren. [17] Het hof heeft de aannemelijkheid van de gevolgen van zijn oordeel meegewogen in rov. 2.14-2.15:
rov. 2.17, waarin het hof het beroep van de franchisenemers op de uitzonderingsbepaling(en) van het Verplichtstellingsbesluit verwerpt.