ECLI:NL:RBDHA:2026:5884
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd, ondanks het gebruik van een standaardvoornemen. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om te reageren en is gehoord tijdens het aanmeldgehoor Dublin. De minister heeft de persoonlijke omstandigheden van eiser betrokken bij zijn besluit.
Eiser stelde dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden. De rechtbank stelt echter vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in Duitsland die een risico op onmenselijke behandeling opleveren. Eiser heeft bovendien geen bezwaar tegen overdracht aan Duitsland en heeft daar opvang en detentie gehad zonder klachten.
Ten slotte betoogde eiser dat de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zijn aanvraag onverplicht in behandeling had moeten nemen vanwege bijzondere omstandigheden. De rechtbank oordeelt dat de minister dit terecht niet heeft gedaan, omdat de persoonlijke omstandigheden reeds zijn betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.