AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rechtbank bepaalt termijn voor UWV-beslissing na herbeoordelingsverzoek WIA-uitkering
Eiseres, Zeeman textielSupers B.V., heeft namens een (ex-)werkneemster een herbeoordelingsverzoek ingediend bij het UWV over het recht op een WIA-uitkering. Nadat het UWV niet tijdig besliste, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank constateerde dat het UWV de beslistermijn had overschreden en dat het beroep gegrond was.
De rechtbank overwoog dat in zaken waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het UWV in beginsel zes weken krijgt om de medische beoordeling te verrichten en vervolgens drie weken om een besluit te nemen, met een maximum van negen weken na de uitspraak. Dit is een bijzonder geval conform artikel 8:55d, derde lid, Awb, mede vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen.
Het UWV had verzocht om een langere termijn van vier maanden, maar de rechtbank zag geen reden af te wijken van de eerder vastgestelde termijn. Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Het UWV werd ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.
De uitspraak werd gedaan door rechter S.H. van den Ende op 12 maart 2026 zonder zitting, op grond van artikel 8:54 AwbPro. De rechtbank benadrukte dat bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot afwijking van de termijnen, mits door partijen aangevoerd.
Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken na uitspraak een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9098
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen
Zeeman textielSupers B.V., uit Alphen aan den Rijn, eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;het Uwv
(gemachtigde: mr. E. Lipman).
Inleiding
1. [naam], (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 22 juli 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op deze WIA-uitkering.
1.1.
Eiseres heeft op 18 december 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op
2 oktober 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op
6 oktober 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 2 december 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.
4. Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht het Uwv op te dragen binnen negen weken na de uitspraak een besluit bekend te maken.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden wegens een beperkte capaciteit aan verzekeringsartsen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. Het Uwv verzoekt de rechtbank om aan te sluiten bij de termijn die de rechtbank Overijssel stelt in haar uitspraak van 8 oktober 2024. [4] Volgens die uitspraak dient het Uwv in dit soort zaken binnen vier maanden vanaf de datum van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken.
5.1.
Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee. [5] De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.
6. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift aangegeven dat zij de afdeling SMZ hebben verzocht om de herbeoordeling zo spoedig mogelijk uit te voeren. Het Uwv geeft aan momenteel niet te kunnen inschatten wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
7. Eiseres heeft de rechtbank verzocht een nadere dwangsom te verbinden aan de uitspraak voor iedere dag dat het Uwv in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [6] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank beschouwt de zaken met zaaknummer SGR 25/8754, SGR 25/9047,
SGR 26/129 en SGR 26/9277 als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de rechtbank gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Omdat sprake is van meer dan drie samenhangende zaken geldt bij de berekening van de proceskosten een factor 1,5. [7] De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 700,50
(1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht) en een factor 1,5 voor het aantal samenhangende zaken). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak een tiende deel toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 70,05.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het Uwv tot betaling van € 70,05 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
V.R. Hijman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.