ECLI:NL:RBDHA:2026:614

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/09/681880
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van IM Group en IMG II voor brandschade veroorzaakt door gebrekkige accu's van Ecooter-scooters

In deze zaak vorderden de verzekeraars Allianz Benelux N.V. en Nationale-Nederlanden Schadeverzekeringsmaatschappij N.V. schadevergoeding van IM Group B.V. en IMG II B.V. naar aanleiding van een brand die was ontstaan door een defecte accu van een elektrische scooter. De brand vond plaats op 8 augustus 2020 bij een vestiging van Domino's Pizza, waar de accu's van de scooters werden opgeladen. De verzekeraars stelden dat de brand was veroorzaakt door een onveilige combinatie van de stekker van de lader en de contrastekker van de accu, wat leidde tot oververhitting en uiteindelijk brand. De rechtbank moest beoordelen of IM Group en IMG II aansprakelijk waren voor de schade op basis van onzorgvuldig handelen of nalaten, zoals vereist door artikel 2 van de Bedrijfsregeling Brandregres 2014. De rechtbank concludeerde dat de verzekeraars niet voldoende bewijs hadden geleverd dat IM c.s. onzorgvuldig hadden gehandeld. De rechtbank wees de vorderingen van de verzekeraars af en veroordeelde hen in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/681880 / HA ZA 25-251
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van

1.de rechtspersoon naar buitenlands recht ALLIANZ BENELUX N.V.,te Brussel, België,2. NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ N.V.,te Den Haag,

eiseressen,
advocaten: mr. M.B. Esseling en mr. P. Dhingra,
tegen

1.IM GROUP B.V.,2. IMG II B.V.,

beide te Zoetermeer,
gedaagden,
advocaat: mr. B.M. Stroetinga.
Partijen zullen hierna verzekeraars en IM c.s. worden genoemd. Ieder afzonderlijk zullen zij Allianz, Nationale Nederlanden, IM Group en IMG II worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 28 februari 2025, met productie 1 tot en met 13;
  • de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;
  • de bij brief van 17 oktober 2025 namens verzekeraars ingezonden productie 14.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Tijdens de mondelinge behandeling waren dhr. [naam 1] (schadebehandelaar bij Allianz) en mr. Dhingra aanwezig namens verzekeraars. Voor IM c.s. zijn verschenen dhr. [naam 2] (algemeen directeur van IM Group en IMG II) en mr. Stroetinga. Partijen hebben hun standpunten verder toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Mr. Dhingra heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt. De spreekaantekeningen van mr. Dhingra en de zittingsaantekeningen zijn toegevoegd aan het griffiedossier.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Allianz en Nationale Nederlanden zijn de verzekeraars van de Vereniging van Eigenaars [naam VvE] in [plaats] (hierna: de VvE).
2.2.
IM c.s. drijven een onderneming die zich bezighoudt met het importeren en verkopen van scooters. IMG II, voorheen geheten Ecooter B.V., is de entiteit die zich bezighoudt met het importeren van de scooters. IM Group, voorheen geheten Asian Gear International B.V., houdt zich bezig met de verkoop van de geïmporteerde scooters. De (oude) naam Ecooter B.V. werd gebruikt omdat de onderneming aanvankelijk alleen in China onder het merk ‘Ecooter’ geproduceerde elektrische scooters importeerde. Later is de onderneming ook elektrische scooters van andere merken gaan importeren en (volgens het uittreksel uit het handelsregister) vanaf 12 april 2022 heeft zij haar naam gewijzigd in IMG II.
2.3.
Sinds de opening van haar vestiging in november 2019 heeft Domino’s Pizza in [plaats] (hierna ook: Domino’s) elektrische scooters van het Chinese merk ‘Ecooter’ en elektrische fietsen in gebruik voor het bezorgen van haar bestellingen. Domino’s heeft deze elektrische Ecooter-scooters gekocht van een derde partij, nadat ze door IM c.s. vanuit China waren geïmporteerd en op de Nederlandse markt waren gebracht. De accu’s van deze voertuigen worden in een speciaal daarvoor ingerichte ruimte in de vestiging van Domino’s opgeladen.
2.4.
Op 8 augustus 2020 is voor het pand van deze vestiging van Domino’s brand ontstaan door een oplaadbaar accupakket van een van de elektrische Ecooter-scooters.
2.4.1.
Op 8 augustus 2020, omstreeks 14:25 uur, zag een medewerkster van Domino’s dat er in de oplaadruimte stootsgewijs witte/grijze rook uit een scooteraccu kwam die aan de lader was aangesloten. Zij heeft de stekker van de lader uit de accu getrokken en in de meterkast alle stoppen van de laders omgezet, waarna het roken stopte. Een collega heeft de accu naar buiten gebracht en voor de bezorgersdeur van Domino’s neergelegd, onder de galerij, nabij de gevel en de andere elektrische scooters en fietsen van Domino’s.
2.4.2.
Nadat de accu buiten weer begon te roken, heeft de medewerkster van Domino’s een brandblusser leeggespoten op zowel de rokende accu als de scooter die daarnaast stond geparkeerd. Desondanks bleef de accu hevig roken. De accu is vervolgens geëxplodeerd en de brandende delen van de lithium-ion batterij hebben zich over de nabij opgestelde elektrische scooters en fietsen verspreid, waarna de brand zich snel ontwikkelde. Bij de brand zijn vijf scooters en een aantal fietsen verloren gegaan. Ook heeft de brand schade aangericht aan de ruimten van Domino’s en bovenliggende appartementen, welke ruimten en appartementen toebehoren aan eigenaars van de VvE.
2.5.
Verzekeraars hebben [onderzoekbureau] B.V. (hierna: [onderzoekbureau]) opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de toedracht en het verloop van de brand. [onderzoekbureau] heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport gedateerd 26 oktober 2020. In dat rapport staat onder meer het volgende:
Laadplaats accu’s
In een metalen rek naast de nooddeur in de zijgevel was het laadstation voor de scooter- en fietsaccu’s ingericht (…). (…) Daaronder waren 6 scooteraccu’s met 5 laders aanwezig. (…) De 12 kg zware li-ion scooteraccu’s vermeldden het merk Ecooter, gelijk aan het fabricaat van de scooter zelf. Op de accu’s waren, behalve de vermelding 64V 30 Ah, geen gegevens vermeld. (…)
Alle scooters en accu’s werden in september 2019 (3 stuks) en in januari 2020 (2 stuks) door Domino’s aangekocht (…)
(…)
Aanwijzen oorzaak
De brand ontstond in een li-ion scooteraccu van het merk Ecooter. De betrokken accu is zodanig verbrand dat een oorzaak daarin niet meer kan worden vastgesteld.
(…)
VERVOLGONDERZOEK SCOOTER ACCU’S
In overleg met opdrachtgevers boden wij de 6 resterende Ecooter accu’s en 6 bijbehorende laders aan bij Dekra Certification B.V. te Arnhem. (…)
2.6.
[onderzoekbureau] heeft DEKRA Certification B.V. (hierna: DEKRA) verzocht om nader
onderzoek te verrichten aan voornoemde zes resterende Ecooter-accu’s en laders. DEKRA
heeft haar bevindingen neergelegd in een rapportage van 19 oktober 2020, die als bijlage bij
het rapport van [onderzoekbureau] is gevoegd. DEKRA schrijft in haar rapportage onder meer het
volgende:

2 INLEIDING
(…) DEKRA (…) heeft van [onderzoekbureau] (…) opdracht gekregen onderzoek uit te voeren aan een zestal identieke onverbrande accu packs. Deze zijn aangeleverd samen met de laders.
Het doel van het onderzoek is te achterhalen of er tekortkomingen in de combinatie van de laders met accu’s accu aanwezig zijn, die een verklaring kunnen zijn voor het ontstaan van de brand.
(…)
3.7
Staat van de aangeleverde accu’s
De accu’s worden opgeladen door de stekker van de lader in de contrastekker van de accu te steken. Deze contrastekkers hebben een dekseltje die door met een veer de contrastekker afdekt (…). Van de zes aangeleverde accu’s zijn vier afdekklepjes van de contrastekker afgebroken (…). Bij één accu is de contrastekker van de accu inwendig losgebroken (…).
(…)
Bij een inwendige contrastekker bestaat de kans op het ontstaan van inwendige kortsluiting. De contrastekkers zijn meer in detail onderzocht. Bij twee accu’s zijn smeltsporen waargenomen rond de bussen in de contrastekkers. Deze worden hieronder weergegeven.
(…)
3.1
Stekkerverbinding tussen lader en accu
De dikte van de pennen van de stekkers van de lader zijn allen opgemeten. De gemeten diameter bedraagt 3,89 mm, voor alle pennen van alle aangeleverde laders.
(…)
Vervolgens zijn, met behulp van een paspen (boortje) met een dikte van 3,95 mm, alle bussen van de contrastekkers in de accu’s gemeten. De uitkomst hiervan is dat
alle busseneen diameter hebben die groter is dan 3,95 mm. De paspen schoof zonder enige kracht uit te oefenen in de bussen.
(…)
De stekkerpennen hebben een diameter van 3,89 mm. De gaten van de bussen in de contrastekkers hebben een diameter die groter is dan 3,95 mm. Dit houdt in dat de pennen van de laadstekker niet worden ingeklemd in de bussen van de contrastekker van de accu. Een verende klemverbinding is vereist voor een goede elektrische verbinding.
De gevolgen van een niet ingeklemde pen is een verhoogde overgangsweerstand en een onbetrouwbare verbinding, wat resulteert in vonken en een toename van temperatuur.
Gecontroleerd is of de stekker en contrastekker een keurmerk hebben. Dit bleek niet het geval te zijn.
3.11
Overzicht resultaten
Van de waargenomen tekortkomingen van de aangeleverde accu’s is het volgende overzicht gemaakt.
(…)

4.RELATIE TUSSEN TEKORTKOMINGEN EN BRAND

Tijdens het onderzoek is gevonden dat de stekkerpennen dunner zijn dan de bussen van de contrastekker. Tevens is in twee contrastekkers oververhitting geconstateerd. Op grond hiervan is nader onderzoek uitgevoerd aan accu 7 met een defecte contrastekker. Het doel hierbij is om te achterhalen welke schade ontstaat bij een oververhitte bus in de contrastekker.
Bij accu 7 werden smeltsporen rond één contrastekkerpool aangetroffen en tevens was een deel van de connector losgebroken. Deze contrastekker is nader onderzocht.
(…)
Bij het onderzoek is gebleken dat het binnenwerk van de contrastekker is losgebroken als gevolg van het smelten van het kunststof rond de oververhitte zwarte contrastekkerbus.
Waargenomen is dat als gevolg van oververhitting van de contrastekkerbus, de isolatie van de achterliggende accucel is doorgesmolten. Op deze plaats is bijna kortsluiting ontstaan tussen de draad van de contrastekker en de behuizing van de accucel.
Uit de inspectie blijkt dat een oververhitte contrastekkerbus een direct risico vormt voor het ontstaan van kortsluiting binnen de accu, op een plaats waar het BMS niet tegen beveiligt. Dit leidt tot oververhitting en brand.

5.Samenvatting

De stekker van de lader en de contrastekker van de accu is geen veilige combinatie. De stekkerpennen van de lader zijn te dun voor de stekkerbussen in de contrastekker van het accupakket. Dit geldt voor alle aangeleverde laders en accu’s en is een structurele tekortkoming, die logischerwijs ook voor de verbrande accu en lader heeft gegolden
(…)
Alles duidt erop dat de brand is ontstaan als gevolg van de oververhitting in de stekker-contrastekker verbinding van de lader met de accu. Het effect hiervan is het wegsmelten van elektrische isolatie met inwendige sluiting en brand binnen de accu als gevolg. De batterij beveiliging (BMS) kan hierbij niet ingrijpen omdat deze zich niet in de stroomkring van de ontstane sluiting bevindt.
In de aangeleverde onverbrande accu 7 was het kunststof rond de stekkerverbinding en de isolatie van een accucel al gesmolten. Hierin was nog “net geen” brand ontstaan.”
2.7.
DEKRA heeft in haar eindverslag van 22 februari 2021, aangevuld met een brief van 10 maart 2021, de schade in kaart gebracht. De schade is vastgesteld op
€ 318.936,97.
2.8.
Bij brief van 21 februari 2021 hebben verzekeraars IM c.s. aansprakelijk gesteld voor de schade. IM c.s. hebben de aansprakelijkheidstelling bij hun verzekeraar (hierna: Interpolis) gemeld.
2.9.
Verzekeraars hebben (na aftrek van het eigen risico van € 2.500,-) een bedrag van € 316.436,97 uitgekeerd aan de VvE: (1) € 310.386,97 op 3 maart 2021 en
(2) € 6.050,- op 11 maart 2021.
2.10.
Bij e-mail van 19 oktober 2021 heeft Interpolis aansprakelijkheid afgewezen.
2.11.
Bij e-mail van 25 oktober 2021 heeft de advocaat van verzekeraars het standpunt herhaald dat IM c.s. aansprakelijk zijn. Voorts heeft de advocaat van verzekeraars Interpolis gevraagd om een contra-expertise. Bij e-mail van 4 november 2021 heeft Interpolis aansprakelijkheid nogmaals van de hand gewezen.
2.12.
Bij e-mail van 29 augustus 2022 heeft de advocaat van verzekeraars nogmaals het standpunt herhaald dat IM c.s. aansprakelijk zijn voor de schade, en verzocht om een contra-expertise van Interpolis.
2.13.
Bij brief van 14 juni 2023 heeft Interpolis aangegeven dat het onderzoek nog niet is afgerond. Volgens Interpolis bestaat er voornamelijk discussie over de uitleg van de Bedrijfsregeling Brandregres 2014. Volgens Interpolis zou deze discussie moeten worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Schadeverzekeraars van het Verbond van Verzekeraars (hierna: het Verbond).
2.14.
Bij e-mail van 1 september 2023 heeft de advocaat van verzekeraars aan Interpolis gemeld dat verzekeraars geen aanleiding zien om de Geschillencommissie Schadeverzekeraars aan te zoeken, maar dat het Interpolis vrijstaat om dat wel te doen. Dit is echter niet gebeurd.

3.Het geschil

3.1.
Verzekeraars vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • IM Group en/of IMG II (hoofdelijk) veroordeelt tot betaling van € 158.218,48 aan Allianz, vermeerderd met wettelijke rente over € 155.193,48 vanaf 8 maart 2021 en over € 3.025,- vanaf 11 maart 2021 tot aan de dag van volledige betaling.
  • IM Group en/of IMG II (hoofdelijk) veroordeelt tot betaling van € 158.218,48 aan Nationale Nederlanden, vermeerderd met wettelijke rente over € 155.193,48 vanaf 8 maart 2021 en over € 3.025,- vanaf 11 maart 2021 tot aan de dag van volledige betaling.
  • IM Group en/of IMG II (hoofdelijk) veroordeelt in de proceskosten (inclusief nakosten), vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de vonnisdatum.
3.2.
Verzekeraars leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. IM c.s. hebben onrechtmatig gehandeld doordat zij een product in het verkeer hebben gebracht dat bij normaal gebruik schade veroorzaakt. Uit het rapport van DEKRA van 19 oktober 2020 volgt dat de stekkerbussen in de contrastekker van het accupakket te groot waren voor de stekkerpennen van de lader. Daardoor is de stekker-contrastekkerverbinding van de lader met de accu oververhit geraakt, met brand als gevolg. Volgens verzekeraars valt dit onrechtmatige handelen aan IM c.s. toe te rekenen krachtens de verkeersopvattingen. IM Group en/of IMG II zijn als producenten aan te merken, omdat ze zich hebben gepresenteerd als producent door hun merk (en naam) ‘Ecooter’ op het accupakket aan te brengen. Bovendien gelden IM Group en/of IMG II als producent, omdat zij het product in de Europese Economische Ruimte hebben geïmporteerd om het in Nederland te verkopen.
3.3.
IM c.s. voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van verzekeraars, met veroordeling van verzekeraars in de proceskosten (inclusief nakosten).
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover relevant, nader ingegaan bij de beoordeling.

4.De beoordeling

Aansprakelijkheid gebrekkig product krachtens (wet of) verkeersopvattingen
4.1.
Met de feitelijke gang van zaken op 8 augustus 2020 bij Domino’s en de onderzoeksrapporten van [onderzoekbureau] en DEKRA kan worden aangenomen, en dat is ook niet in geschil, dat de brand in de Ecooter-accu is ontstaan door een onveilige combinatie van de stekker van de lader en de contrastekker van de accu, waarbij de stekkerpennen van de lader te dun waren voor de stekkerbussen in de contrastekker van het accupakket, met oververhitting in de stekker-contrastekker verbinding van de lader met de accu tot gevolg. IM c.s. hebben niet bestreden dat hiermee sprake is geweest van een gebrekkig product dat brand en (dus) schade heeft veroorzaakt. Tussen partijen staat vast dat verzekeraars op grond van artikel 7:962 BW zijn gesubrogeerd in de rechten van de VvE.
4.2.
De verzekeraars hebben zich bij dagvaarding op het standpunt gesteld dat IM c.s. aansprakelijk zijn voor de door de brand bij Domino’s geleden schade, nu het in het verkeer brengen van een accupakket dat bij normaal gebruik brand veroorzaakt, onrechtmatig is, hetgeen op grond van de verkeersopvattingen voor rekening van IM c.s., aan te merken als producent op grond van artikel 6:187 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), althans gelijk te stellen aan de producent op grond van artikel 6:187 lid 3 BW, dient te komen. IM c.s. voeren hiertegen aan dat deze regresvordering van de verzekeraars afstuit op de Bedrijfsregeling Brandregres 2014 (hierna: BBr 2014).
Hoe moet artikel 2 van de BBr 2014 worden uitgelegd?
4.3.
Partijen zijn het erover eens dat de BBr 2014 van toepassing is. Partijen verschillen echter van mening over de uitleg van artikel 2 van de BBr 2014.
4.4.
Artikel 2 van de BBr 2014 luidt als volgt:
Brandverzekeraarszullen hun recht van verhaal jegens niet-particulieren alleen uitoefenen indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten.
4.5.
In de toelichting op artikel 2 van de BBr 2014 is, voor zover relevant, het volgende vermeld:
De BBr 2014 gaat uit van het principe dat regres gepleegd moet kunnen worden op eenieder die verantwoordelijk is voor onzorgvuldig handelende personen. Bepalend is dus of onzorgvuldig handelen of nalaten een relevante factor is geweest bij het ontstaan van de brand. De aard van de aansprakelijkheid zelf (risico- of schuldaansprakelijkheid) is niet bepalend. Met onzorgvuldigheid wordt het juridisch criterium schuld van artikel 6:162 BW bedoeld (verwijtbaar handelen of nalaten en/of toerekening van een oorzaak).
4.6.
Verzekeraars hebben betoogd dat regres op zakelijke partijen op grond van artikel 2 van de BBr 2014 mogelijk is niet alleen in geval van toerekening krachtens schuld, maar ook in geval van toerekening krachtens de wet of krachtens verkeersopvattingen, oftewel ongeacht of de zakelijke partij een verwijt kan worden gemaakt. Dit volgt volgens verzekeraars uit de woorden “en/of toerekening van een oorzaak” in de toelichting bij artikel 2 van de BBr 2014 en is in de ogen van de verzekeraars (in het kader van de BBr 2000) bovendien bevestigd in een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2008 (ECLI:NL:GHAMS:2008:BH3421).
4.7.
Volgens IM c.s. is voor regres op grond van artikel 2 van de BBr 2014 vereist dat aan een persoon of onderneming (IM Group en IMG II) een verwijt (onzorgvuldig handelen of nalaten) van het ontstaan van de schade kan worden gemaakt. Verzekeraars kunnen hun recht van verhaal niet uitoefenen indien de aansprakelijkheid enkel voortvloeit uit de (wet of) verkeersopvattingen, aldus IM c.s.
4.8.
Gelet op dit verschil van inzicht over de uitleg van artikel 2 van de BBr 2014, zal de rechtbank deze bepaling uitleggen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat met de BBr 2014 sprake is van een regeling van algemene aard die zich uitstrekt naar een kring van derden die niet bij het opstellen daarvan betrokken zijn. Een dergelijke regeling moet naar objectieve, gebruikelijke maatstaven worden uitgelegd (vgl. Hoge Raad 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4621). Daarbij moet worden gelet op de bewoordingen ervan, bezien in het licht van de gehele tekst en op de bijbehorende, voor derden toegankelijk toelichting, waarbij het gaat om de betekenis en eventuele bedoeling van de opstellers die daaruit naar objectieve maatstaven volgt.
4.9.
De bewoordingen van artikel 2 van de BBr 2014 zijn op zich duidelijk. Artikel 2 van de BBr 2014 bepaalt immers dat brandverzekeraars hun recht van verhaal jegens niet-particulieren alleen zullen uitoefenen indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten. Deze tekst wijst er op dat er sprake moet zijn van een ter zake van de brand aan een persoon te maken verwijt. De rechtbank sluit zich bovendien aan bij een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:4120, r.o. 4.3), waarin zij heeft geoordeeld dat het woord ‘alleen’ in de bewoordingen van artikel 2 van de BBr 2014 een aanwijzing bevat dat het Verbond heeft gemeend een beperking op de wettelijke regresregeling te moeten aanbrengen.
4.10.
Dit wordt bevestigd door de toelichting op artikel 2 van de regeling, waarin staat dat regres kan worden genomen op eenieder die verantwoordelijk is voor onzorgvuldig handelende personen en dat hierbij bepalend is of onzorgvuldig handelen of nalaten een relevante factor is geweest bij het ontstaan van de brand. Indien ter zake van de brand aan een persoon een verwijt kan worden gemaakt, kan het recht van verhaal worden uitgeoefend jegens eenieder die daarvoor aansprakelijk is, ongeacht de aard van de aansprakelijkheid.
4.11.
Ook het achterliggende doel dat vanouds ten grondslag lag aan de regeling, namelijk dat de mogelijkheid van regres een prikkel vormt voor bedrijfsmatig handelende partijen om serieus toe te zien op veilig werken en het zoveel mogelijk voorkomen van brand, duidt daar op. Met deze bepaling is kennelijk beoogd de kring van regresdebiteuren te beperken, namelijk tot diegenen die verantwoordelijk zijn voor onzorgvuldig handelende personen. In artikel 2 van de BBr 2014 moet dan ook een beperking worden gelezen.
4.12.
Bij de uitleg die verzekeraars voorstaan, gaat van artikel 2 van de BBr 2014
de factogeen enkele beperkende werking uit omdat voor het bestaan van een regresvordering de enkele aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad reeds voldoende zou zijn. De bepaling van artikel 2 van de BBr 2014 dient in dat geval geen enkel doel [1] . De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat aan IM c.s. toe te rekenen verwijtbaar handelen (in de zin van onzorgvuldig handelen of nalaten) een noodzakelijke voorwaarde is voor toewijzing van de vordering van verzekeraars. Het betoog van de verzekeraars tijdens de mondelinge behandeling – na vragen van de rechtbank daarover – dat artikel 2 van de BBr 2014 geen beperkingen bevat, faalt om die reden.
4.13.
Toegegeven aan de verzekeraars; de toelichting op artikel 2 van de BBr 2014 verheldert de tekst van artikel 2 in zoverre niet dat het begrip risicoaansprakelijkheid op zichzelf niet ziet op onzorgvuldig handelen. Aangenomen moet worden dat de opstellers van de toelichting met het noemen van risicoaansprakelijkheid naast schuldaansprakelijkheid het oog hebben gehad op bijvoorbeeld artikel 6:170 of 171 BW, de (risico)aansprakelijkheid van een onderneming voor door haar ingeschakelde ondergeschikten of hulppersonen. [2] Regres op de onderneming is dan mogelijk als die ondergeschikten of hulppersonen onzorgvuldig hebben gehandeld of nagelaten, waarvoor de door de verzekeraars aan te spreken zakelijke partij verantwoordelijk is zonder dat schuld bij die onderneming zelf is vereist. In dat licht moet de laatste zin in de toelichting bij artikel 2 van de BBr 2014 dat “
met ‘onzorgvuldigheid’ het juridisch criterium ‘schuld’ van artikel 6:162 BW wordt bedoeld, oftewel er moet sprake zijn van verwijtbaar handelen of nalaten en/of toerekening van een oorzaak” ook worden bezien.
4.14.
Voorgaande uitleg wordt verder bevestigd door een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3498, r.o. 4.87), waarop IM c.s. nog hebben gewezen. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de toelichting van de BBr 2000 [3] blijkt dat met onzorgvuldigheid de juridische schuld van artikel 6:162 BW wordt bedoeld, en dat dat begrip moet worden uitgelegd als verwijtbaarheid. Ook is deze uitleg in lijn met een beslissing van de rechtbank Gelderland van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:1780), waarin die rechtbank heeft overwogen dat de tekst ‘brandverzekeraars zullen hun recht van verhaal jegens niet-particulieren alleen uitoefenen indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten’ zo dient te worden begrepen dat er sprake moet zijn van een aan een persoon of onderneming te maken verwijt. Het enkel benoemen van een beweerde onrechtmatige daad vanwege een gebrek aan een product (in die zaak: een machine) die in het verkeer is gebracht is niet voldoende, nu de toelichting op de BBr geen ruimte laat voor een uitleg dat de onrechtmatige daad ook kan worden toegerekend op basis van verkeersopvattingen. Een andersluidende uitleg zou in strijd komen met de ratio van de BBr en zou er toe leiden dat aan die regeling nauwelijks nog betekenis toekomt.
4.15.
Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2008 ECLI:NL:GHAMS:2008:BH3421) dat door de verzekeraars nog naar voren is geschoven, bevestigt het standpunt van de verzekeraars niet zonder meer. In dat arrest wordt wel gesproken over aansprakelijkheid volgens verkeersopvattingen, maar gaat het om de vraag of de door de verzekeraar aangesproken zakelijke partij de noodzakelijke voorwaarden had geschapen (daaronder begrepen een deugdelijke instructie had gegeven) voor een deugdelijke aanleg van de verwarmingsinstallatie, waarin brand was ontstaan doordat de papierlaag om het isolatiemateriaal was blijven zitten toen de installatie in gebruik werd genomen. De beoordeling ging aldus wel degelijk om de vraag of aan de zakelijke partij onzorgvuldig handelen of nalaten kon worden verweten.
4.16.
De verzekeraars menen ook nog steun te vinden voor hun standpunt dat regres op zakelijke partijen op grond van artikel 2 van de BBr 2014 mogelijk is krachtens (de wet of) verkeersopvattingen in een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:8875). Die uitspraak biedt de door de verzekeraars gewenste steun ook niet. De rechtbank Rotterdam geeft geen enkele uitleg over artikel 2 van de BBr 2014 en de uitspraak vermeldt ook nergens dat aansprakelijkheid volgens verkeersopvatting voldoende is voor regres op een zakelijke partij op grond van de BBr. De rechtbank heeft in dit vonnis, dat een tussenvonnis betreft, vastgesteld dat een gebrek in de printplaat in de airconditioning aansturingsunit van een zonnebank tot de brand in een zonnestudio heeft geleid en dat, aangezien tussen partijen niet in geschil was dat een zonnebank niet in brand dient te vliegen bij normaal gebruik, de conclusie gerechtvaardigd is dat de zonnebank ongeschikt was voor het beoogde doel, hetgeen in beginsel onrechtmatig is. Vervolgens diende zich de vraag aan of dit de door de verzekeraar aangesproken zakelijke partij, de producent van de zonnebank, toegerekend kon worden, wat naar het oordeel van de rechtbank Rotterdam zo is (onder verwijzing naar de Hoge Raad) als een fabrikant niet die maatregelen heeft getroffen die van hem, als zorgvuldig fabrikant, kunnen worden gevergd teneinde te voorkomen dat het door hem in het verkeer gebrachte product schade veroorzaakt, oftewel als de fabrikant een verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank Rotterdam heeft in dit vonnis partijen de gelegenheid geboden om bij akte het debat over de te dien aanzien over en weer ingenomen stellingen verder te voeren.
4.17.
De slotsom van het voorgaande is dat de regresvordering van de verzekeraars ter zake van de brand alleen toewijsbaar is als aan een persoon waarvoor IM c.s. verantwoordelijk is, of aan IM c.s. zelf, een verwijt kan worden gemaakt (onzorgvuldig handelen of nalaten). Aansprakelijkheid op grond van de (wet of) verkeersopvattingen, zonder daadwerkelijk verwijtbaar handelen, is onvoldoende. De enkele stelling van de verzekeraars bij dagvaarding dat IM c.s. aansprakelijk zijn voor de door de brand geleden schade, nu het in het verkeer brengen van een accupakket dat bij normaal gebruik brand veroorzaakt, onrechtmatig is, hetgeen op grond van de verkeersopvattingen voor rekening van IM c.s. (als producent) dient te komen, zonder verwijtbaar handelen aan te wijzen, stuit dus af op voornoemde uitleg.
4.18.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat als deze uitleg volgens het Verbond niet juist is, het aan het Verbond is om de tekst van de bepaling en/of de toelichting aan te passen.
Is er sprake van onzorgvuldig handelen of nalaten van IM c.s.?
4.19.
Voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling, in de voorgedragen spreekaantekeningen, hebben de verzekeraars (subsidiair), voor het geval de rechtbank onverhoopt mocht oordelen dat IM c.s. een concreet verwijt dient te worden gemaakt, aangevoerd dat IM c.s. een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat de stekkerpennen te dun waren voor de stekkerbussen in de contactdoos. Zij stellen daarbij dat IM c.s. het inkoopproces kennelijk met onvoldoende waarborgen en controles hebben ingericht, maar geven dit verder geen handen en voeten, terwijl zij in het vervolg van dit betoog ook weer terugvallen op toerekening van de schade aan IM c.s. krachtens verkeersopvattingen door (onder verwijzing naar de al eerder genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8875) aan te geven dat niet valt in te zien waarom het onderhavige risico van spontane zelfontbranding zonder enige waarschuwing bij een argeloze gebruiker zou moeten liggen en niet bij de professionele importeur die over meer technische informatie over het product beschikt dan de gebruiker.
4.20.
Verzekeraars hebben verder niet gesteld, laat staan toegelicht, welke maatregelen IM c.s. als zorgvuldig handelend importeur had moeten treffen, en niet of onvoldoende heeft getroffen, om te voorkomen dat de door hen in Nederland in het verkeer gebrachte Ecooter-accu brand zou veroorzaken, hetgeen wel op hun weg had gelegen. Verzekeraars hebben bijvoorbeeld niets aangevoerd waaruit volgt dat er al bekende brandrisico’s waren of dat een onveilige combinatie van de stekker van de lader en de contrastekker van de accu, waarbij de stekkerpennen van de lader te dun zijn voor de stekkerbussen in de contrastekker van het accupakket, een bekend gebrek is, waarop (extra) gecontroleerd dient te worden of voor gewaarschuwd dient te worden. Dit terwijl IM c.s. zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt hebben gesteld dat zij wel degelijk controles uitoefenen, maar nooit een gebrek hebben gevonden, en dat van hen niet kan worden verlangd dat ze van iedere scooter die ze importeren, ieder onderdeel losschroeven om te kijken of een individuele scooter(accu) met een gebrek kampt. Nu de verzekeraars hiermee naar het oordeel van de rechtbank niet aan hun stelplicht hebben voldaan, kan de rechtbank niet toekomen aan een beoordeling van de vraag of IM c.s. als importeur van de in China geproduceerde Ecooter-scooters, onzorgvuldig hebben gehandeld of nagelaten.
Conclusie: verzekeraars kunnen geen regres nemen op IM c.s.
4.21.
De conclusie van het voorgaande is dat niet vast is komen te staan dat sprake is van onzorgvuldig handelen of nalaten van IM c.s., en dat verzekeraars – gelet op artikel 2 van de BBr 2014 – dus geen regres kunnen nemen op IM c.s. De vorderingen van verzekeraars zullen daarom worden afgewezen.
De proceskosten
4.22.
Verzekeraars zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van IM c.s. worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2,0 punten × tarief VI á € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.467,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van verzekeraars af,
5.2.
veroordeelt verzekeraars in de proceskosten van € 12.467,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als verzekeraars niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, zullen de proceskosten worden vermeerderd met € 92,00 plus de kosten van betekening,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Knijff en in het openbaar uitgesproken op
14 januari 2026.
type: 3516

Voetnoten

1.Zie ook Rechtbank Rotterdam 15 februari 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BV9671, welke uitspraak gaat over artikel 2.2 van de Bedrijfsregeling Brandregres 2000, welk artikel – voor zover van belang – gelijkluidend is aan artikel 2 van de BBr 2014
2.Zie ook weer Rechtbank Rotterdam 10 mei 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:4120
3.Zie daarover ook voetnoot 1