Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 11 april 2025 waarin werd bepaald dat zij per 26 oktober 2024 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Omdat het UWV niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, heeft eiseres op 19 januari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van negen weken, zoals bepaald in artikel 8:55d Awb, is overschreden en dat het UWV ondanks ingebrekestelling niet heeft beslist. Het UWV heeft een dwangsombeslissing genomen, maar de rechtbank acht het noodzakelijk dat het UWV alsnog binnen een redelijke termijn beslist.
Gezien het medisch karakter van de zaak en het tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV, kwalificeert dit als een bijzonder geval waarbij de rechtbank een termijn van maximaal negen weken hanteert voor het nemen van een besluit, inclusief een medische beoordeling. De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.
Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet.