ECLI:NL:RBDHA:2026:6306

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/7812
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in medische WIA-uitkeringszaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar door het UWV inzake wijziging van een WIA-uitkering in een loonaanvullingsuitkering. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn van twee weken, zoals voorgeschreven in artikel 8:55d Awb, heeft overschreden.

Het UWV heeft verklaard dat de vertraging is veroorzaakt door een artsentekort en dat een medisch-arbeidsdeskundig rapport op 16 januari 2026 is afgerond, waardoor de behandeling van het bezwaar nu kan worden voortgezet. De rechtbank oordeelt dat dit een bijzonder geval is waarin een medisch advies noodzakelijk is en dat het UWV binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Het betaalde griffierecht wordt aan eiseres vergoed en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €467. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in overeenstemming met eerder gewezen uitspraken over soortgelijke zaken.

Uitkomst: Het UWV moet binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7812

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: drs. H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: M.A. Brouwer).

Inleiding

1. In het besluit van 8 november 2024 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van de
(ex-)werkneemster van eiseres, [(ex-)werkneemster] , wordt gewijzigd in een loonaanvullingsuitkering. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
Eiseres heeft op 4 november 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 13 augustus 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv tot het moment van het instellen van beroep zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
3. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
3.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak zal worden verzonden alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.
3.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat op 27 november 2024 een nieuw medisch-arbeidsdeskundig oordeel van de afdeling Sociaal Medische Zaken is verzocht. Deze beoordeling heeft niet tijdig plaats kunnen vinden als gevolg van het artsentekort bij het Uwv. Op 19 januari 2026 heeft het Uwv aan de rechtbank een rapport van de arbeidsdeskundige toegestuurd en medegedeeld dat de behandeling van het bezwaar nu inhoudelijk kan worden voortgezet.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
3.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
3.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
4. In de brief van 19 januari 2026 heeft het Uwv toegelicht dat op 16 januari 2026 het rapport van de arbeidsdeskundige is afgerond en dat uit dit rapport het resultaat van een recent medisch-arbeidsdeskundig onderzoek blijkt. Volgens het Uwv kan de behandeling van het bezwaar van eiseres nu inhoudelijk worden voortgezet. Gelet op wat hiervoor is overwogen en gezien de tijd die is verstreken tussen het opstellen van het medisch-arbeidsdeskundig rapport en de datum van deze uitspraak, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv binnen twee weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit bekend moet maken.
5. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank zal – in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken – bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
7. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.