ECLI:NL:RBDHA:2026:8392
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 oktober 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft de maatregel reeds eerder getoetst en verklaarde deze tot 9 maart 2026 rechtmatig.
In dit tweede vervolgberoep richt het geschil zich op de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring na 9 maart 2026. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de uitzetting, met name over de onduidelijkheid rond de toezegging van een laissez-passer en de timing van het boeken van een vlucht.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit de stukken blijkt dat de nationaliteit van eiser op 12 maart 2026 is bevestigd, een vluchtaanvraag op 17 maart is ingediend en goedgekeurd, en een vlucht gepland staat op 10 april 2026. De minister is afhankelijk van medewerking van de Gambiaanse autoriteiten en heeft tijdig actie ondernomen.
De rechtbank ziet geen reden om de maatregel van bewaring te beëindigen en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.