ECLI:NL:RBDHA:2026:8392

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
NL26.16050
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 oktober 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft de maatregel reeds eerder getoetst en verklaarde deze tot 9 maart 2026 rechtmatig.

In dit tweede vervolgberoep richt het geschil zich op de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring na 9 maart 2026. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de uitzetting, met name over de onduidelijkheid rond de toezegging van een laissez-passer en de timing van het boeken van een vlucht.

De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit de stukken blijkt dat de nationaliteit van eiser op 12 maart 2026 is bevestigd, een vluchtaanvraag op 17 maart is ingediend en goedgekeurd, en een vlucht gepland staat op 10 april 2026. De minister is afhankelijk van medewerking van de Gambiaanse autoriteiten en heeft tijdig actie ondernomen.

De rechtbank ziet geen reden om de maatregel van bewaring te beëindigen en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16050

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 19 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 31 oktober 2025. [1] Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 14 januari 2026. [2] Op het tweede vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 13 maart 2026. [3]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 27 maart 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [4]

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 maart 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 9 maart 2026.
Geen zitting
3. Hoewel eiser heeft verzocht om op zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van eiser is ook niet verplicht, omdat het gaat om een beroep tegen het voortduren van de bewaring. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Hij voert aan dat de vermelding van een toezegging van een laissez-passer (lp) in het voortgangsrapport onduidelijk is, omdat niet blijkt waarop deze is gebaseerd en wanneer en op welke wijze met de Gambiaanse autoriteiten is gecorrespondeerd. Daarnaast voert eiser aan dat de minister ten onrechte pas een vlucht heeft geboekt voor 10 april 2026 en er daarbij op heeft gegokt dat vóór die datum een lp zou worden verstrekt, terwijl mogelijk al eerder in maart 2026 een vlucht geboekt had kunnen worden. Volgens eiser heeft de minister een zelfstandige verantwoordelijkheid voor de uitzetting en kan hij niet volstaan met een beroep op afhankelijkheid van de Gambiaanse autoriteiten, temeer omdat eiser al een geruime tijd in bewaring verblijft.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 12 maart 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd en dat de Gambiaanse autoriteiten op diezelfde datum de nationaliteit van eiser hebben bevestigd. Vervolgens heeft de minister op 17 maart 2026 een vluchtaanvraag ingediend, die op dezelfde dag is goedgekeurd. De vluchtgegevens zijn op 18 maart 2026 ontvangen en een vlucht is gepland op 10 april 2026. Dat eiser stelt dat mogelijk eerder een vlucht had kunnen worden geboekt, leidt niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat de minister eerder een concrete mogelijkheid had om een vlucht te boeken. Evenmin volgt de rechtbank eiser in zijn stelling dat de minister er slechts op heeft gegokt dat vóór die datum een lp zou worden verstrekt. Daarbij is van belang dat ten tijde van het boeken van de vlucht de nationaliteit van eiser reeds was bevestigd en een lp-toezegging was gedaan. Dat in het voortgangsrapport niet nader is gespecificeerd waarop de lp-toezegging is gebaseerd, maakt dit niet anders. Dit is immers geen reden om aan de mededeling in het voortgangsrapport te twijfelen. De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister voor het verkrijgen van reisdocumenten afhankelijk is van de medewerking van de Gambiaanse autoriteiten. Gelet op het voorgaande werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20089.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 14 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:639.
3.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 13 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5300.
4.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
5.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.