ECLI:NL:RBDHA:2026:6409

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
NL26.13102
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling

Verzoeker, een vreemdeling van Poolse nationaliteit, kreeg op 6 maart 2026 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Hiertegen stelde verzoeker beroep in, maar de minister hief de maatregel op 11 maart 2026 op en legde aansluitend een nieuwe maatregel van bewaring op. Vervolgens trok verzoeker op 17 maart 2026 het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank behandelde het verzoek om proceskostenveroordeling op 20 maart 2026, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde niet verschenen. De kernvraag was of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker was tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van tegemoetkomen, omdat de minister de maatregel niet had herzien wegens onrechtmatigheid, maar vanwege een grondslagwijziging en het opleggen van een nieuwe maatregel. Intrekking of wijziging op basis van nieuwe feiten of omstandigheden vormt geen grond voor proceskostenveroordeling. Bovendien had verzoeker niet gemotiveerd waarom proceskostenvergoeding zou moeten worden toegekend.

Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door de minister.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13102

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum] ,
van Poolse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

1. Bij besluit van 6 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan verzoeker de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De minister heeft op 11 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.3.
Op 17 maart 2026 heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.4.
De rechtbank heeft het verzoek om een proceskostenveroordeling op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2] De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
2.1.
Volgens vaste rechtspraak [3] van de Afdeling [4] is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit wegens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling.
3. De rechtbank stelt vast dat de minister de op 6 maart 2026 opgelegde maatregel van bewaring niet heeft opgeheven omdat deze ten onrechte is opgelegd, maar doordat er aanleiding was voor een grondslagwijziging en de minister daarom (aansluitend) een nieuwe maatregel van bewaring aan verzoeker heeft opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is er dus geen sprake van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Daarnaast heeft verzoeker ook niet gemotiveerd waarom er in deze zaak aanleiding zou zijn voor een proceskostenveroordeling. Er bestaat dus geen aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van bekendmaking hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816 en van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.