ECLI:NL:RBDHA:2026:6409
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling
Verzoeker, een vreemdeling van Poolse nationaliteit, kreeg op 6 maart 2026 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Hiertegen stelde verzoeker beroep in, maar de minister hief de maatregel op 11 maart 2026 op en legde aansluitend een nieuwe maatregel van bewaring op. Vervolgens trok verzoeker op 17 maart 2026 het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank behandelde het verzoek om proceskostenveroordeling op 20 maart 2026, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde niet verschenen. De kernvraag was of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker was tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van tegemoetkomen, omdat de minister de maatregel niet had herzien wegens onrechtmatigheid, maar vanwege een grondslagwijziging en het opleggen van een nieuwe maatregel. Intrekking of wijziging op basis van nieuwe feiten of omstandigheden vormt geen grond voor proceskostenveroordeling. Bovendien had verzoeker niet gemotiveerd waarom proceskostenvergoeding zou moeten worden toegekend.
Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door de minister.