ECLI:NL:RBDHA:2026:6694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.7374
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 3:46 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:72 AwbArt. 2 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit en afwijzing asiel wegens onvoldoende motivering risico Hazara bij terugkeer

Eiser, een minderjarige Hazara uit Afghanistan, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat hij in Griekenland een vluchtelingenstatus had gekregen. De minister wees de aanvraag af en legde een terugkeerbesluit op, stellende dat eiser geen risico liep bij terugkeer vanwege zijn etnische achtergrond. De rechtbank oordeelt dat de minister weliswaar rekening heeft gehouden met de Griekse vluchtelingenstatus, maar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het risico voor Hazara’s in Afghanistan is afgenomen.

De rechtbank beoordeelde ook de geloofwaardigheid van eisers identiteit en asielmotieven. Hoewel eiser zijn identiteit niet met documenten kon onderbouwen en zijn verklaringen over problemen met de Taliban en grondbezit inconsistent waren, was dit niet doorslaggevend voor het oordeel over het terugkeerrisico. De minister baseerde zich op een ambtsbericht dat de situatie van Hazara’s onder het Taliban-regime verbeterd zou zijn, maar de rechtbank concludeert dat dit onjuist is en dat het risico op vervolging en geweld nog steeds reëel is.

Gelet op de onvoldoende motivering vernietigt de rechtbank de besluiten van 4 februari 2025 en 20 augustus 2025 en beveelt de minister binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten tot afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit wegens onvoldoende motivering van het risico voor Hazara bij terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.7374 en NL25.40644

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaken tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over drie besluiten: de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, de weigering hem ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning te verlenen op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) en de oplegging van een terugkeerbesluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze besluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep met zaaknummer NL25.7374 gegrond is. De minister heeft voldaan aan zijn verplichting om ten volle rekening te houden met de beslissing van Griekenland om eiser een vluchtelingenstatus toe te kennen. Ook heeft de minister zijn standpunt over de ongeloofwaardigheid van eisers asielmotieven deugdelijk gemotiveerd. Maar het standpunt dat eiser wegens het behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep geen risico loopt bij terugkeer heeft de minister niet van een deugdelijke motivering voorzien. Daarom is het beroep gegrond en kunnen de besluiten tot weigering van de asielaanvraag en een reguliere verblijfsvergunning en het terugkeerbesluit geen standhouden. Het beroep met zaaknummer NL25.40644 behoeft geen bespreking. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Na de uiteenzetting van het procesverloop (2), het asielrelaas van eiser (3) en het standpunt van de minister (4) gaat de rechtbank in op de vraag of de minister voldoende rekening heeft gehouden met de beslissing van Griekenland om eiser een vluchtelingenstatus toe te kennen (5). Daarna beoordeelt de rechtbank het standpunt van de minister dat eisers identiteit en zijn problemen met de Taliban ongeloofwaardig zijn (6 tot en met 9). Vervolgens gaat de rechtbank onder 10 in op de vraag of de minister zijn standpunt dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen risico loopt vanwege het behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep voldoende heeft gemotiveerd. Onder 11 gaat de rechtbank in op het besluit om eiser geen reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid te verlenen en het terugkeerbesluit. De rechtbank sluit af met een conclusie (13).

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 maart 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met het besluit van 4 februari 2025 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als ongegrond. In dit besluit is geen terugkeerbesluit opgenomen omdat de minister nog van plan was om onderzoek te doen naar de beschikbaarheid van adequate opvang.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 februari 2025, zaaknummer NL25.7374. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft op twee momenten beroepsgronden ingediend tegen dit besluit.
2.2.
De rechtbank heeft dit beroep op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
2.3.
Na sluiting van het onderzoek op zitting heeft de minister met het besluit van 20 augustus 2025 geweigerd om eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid te verlenen en een terugkeerbesluit opgelegd. Tegen dit besluit is afzonderlijk beroep ingesteld, zaaknummer NL25.40644, en de gemachtigde van eiser heeft op 24 september 2025 aanvullende gronden ingediend.
2.4.
Dit is voor de rechtbank aanleiding geweest om het onderzoek te heropenen. De rechtbank heeft bij heropeningsbesluit van 20 november 2025 aangegeven het besluit van 20 augustus 2025 aan te merken als een besluit, bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en dit besluit te betrekken in het beroep met zaaknummer NL25.7374. Op 18 december 2025 heeft de minister gereageerd op de aanvullende gronden van 24 september 2025.
2.5.
De rechtbank heeft in het heropeningsbesluit partijen in de gelegenheid gesteld om het binnen een week na verzending van dit heropeningsbesluit aan te geven als behoefte bestaat aan een nadere zitting. Omdat partijen dat niet hebben aangegeven, ook nadien niet, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser komt uit Afghanistan, is Hazara en is geboren op [datum] 2007. Hij is op vijfjarige leeftijd met zijn familie naar Iran gevlucht. Eenmaal is hij met zijn vader uitgezet naar Afghanistan, toen eiser 14½ jaar oud was, maar hij is teruggekeerd naar Iran. In 2022, toen eiser vijftien jaar was, is hij naar Griekenland vertrokken en heeft daar op 19 augustus 2022 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Nadat op 21 september 2022 een asielgehoor had plaatsgevonden hebben de Griekse autoriteiten eiser op 28 september 2022 de vluchtelingenstatus toegekend. Eiser heeft daarna Griekenland verlaten en is op 21 maart 2023 Nederland ingereisd.
3.1.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag in Nederland het volgende ten grondslag. Eiser heeft als gevolg van zijn Hazara-afkomst in Afghanistan problemen ervaren en verwacht deze problemen ook bij terugkeer. Daarnaast heeft zijn familie problemen gehad met de Taliban en eiser vreest hierdoor bij terugkeer ook problemen te ondervinden. Zijn grootouders wilden geen grond afstaan aan de Taliban. Hierdoor is eisers oma gedood en is zijn opa meegenomen door de Taliban. De Taliban hebben de grond en het huis van eisers familie in beslag genomen en eiser en zijn familie zijn door hen bedreigd. Het huis is daarna in brand gestoken. Daarnaast zijn de Taliban erachter gekomen dat eisers vader in het leger van de Afghaanse autoriteiten tegen de Taliban heeft gevochten. Na het vertrek van eiser en zijn familie uit Afghanistan is eisers broer omgekomen tijdens de oorlog tussen de Taliban en de autoriteiten.
Het besluit van 4 februari 2025
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
a. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
b. Problemen vanwege het behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep;
c. Problemen met de Taliban vanwege het militaire verleden van familieleden;
d. Problemen met de Taliban vanwege het grondbezit van familie.
4.1.
De minister heeft de nationaliteit en de herkomst van eiser geloofwaardig geacht, maar zijn identiteit niet (a). Ook acht de minister de problemen vanwege het behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep geloofwaardig (b). De verklaringen van eiser over de problemen met de Taliban (c en d) zijn volgens de minister niet geloofwaardig. Dat standpunt heeft de minister mede gebaseerd op het door Griekenland aangeleverde asieldossier. De elementen die de minister wel geloofwaardig acht zijn volgens de minister onvoldoende voor de conclusie dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft of dat aannemelijk is dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade.
Internationale bescherming in Griekenland
5. Eiser betoogt dat uit het besluit van 4 februari 2025 onvoldoende kan worden afgeleid dat de minister ten volle rekening heeft gehouden met de beslissing van de Griekse autoriteiten om hem als vluchteling te erkennen. Dat is volgens eiser niet in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 2024. [1] Volgens dit arrest mag een lidstaat een derdelander niet uitleveren aan het land van herkomst indien hij een door een andere lidstaat verleende vluchtelingenstatus heeft. Deze overwegingen van dit arrest over uitlevering gelden ook in het geval van uitzetting naar het land van herkomst. Uit het arrest moet daarom afgeleid worden dat eiser niet mag worden uitgezet naar Afghanistan zolang zijn vluchtelingenstatus niet is ingetrokken, en ten tweede dat van uitzetting naar Afghanistan geen sprake kan zijn indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor intrekking van de vluchtelingenstatus.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat het door eiser genoemde arrest van 18 juni 2024 gaat over uitlevering aan een land van herkomst. Het Hof van Justitie heeft in een ander arrest van dezelfde datum, in de zaak QY, uitgelegd hoe een lidstaat moet omgaan met asielaanvragen van personen die door een andere lidstaat zijn erkend als vluchteling, maar niet naar die lidstaat kunnen terugkeren. [2] In uitspraken van 2 en 3 juli 2025 [3] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat nader uitgewerkt. Uit deze uitspraken volgt dat de minister niet gebonden is aan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus. Maar dit neemt niet weg dat de minister contact met de Griekse autoriteiten moet opnemen voordat hij een besluit neemt op de asielaanvraag van de betrokkene. Bij dit contact moet de minister bij de Griekse autoriteiten navragen op grond waarvan zij aan de betrokkene de vluchtelingenstatus hebben toegekend. Met deze informatie moet de minister ten volle rekening houden. Ook moet de minister de Griekse autoriteiten meedelen wat de uitkomst is van zijn beoordeling of betrokkene vluchteling is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Het is vervolgens aan de Griekse autoriteiten om te bepalen of zij de aan betrokkene toegekende vluchtelingenstatus intrekken op grond van artikel 14 van Pro de Kwalificatierichtlijn. Zolang onduidelijk is of de Griekse autoriteiten dit zullen doen, wordt niet toegekomen aan de vraag of de minister een terugkeerbesluit kan uitvaardigen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 4 februari 2025 hiermee in overeenstemming is. De minister was, gelet op het arrest QY en de Afdelingsuitspraken van 2 en 3 juli 2025, niet gehouden om de door Griekenland aan eiser toegekende vluchtelingenstatus te erkennen, maar mocht de in Nederland ingediende asielaanvraag inhoudelijk beoordelen. De minister heeft in het kader van die beoordeling het Griekse asieldossier opgevraagd bij de Griekse autoriteiten, dat dossier laten vertalen en dat betrokken bij de beoordeling. Ook heeft de minister in het besluit uiteengezet waarom hij, anders dan de Griekse autoriteiten, in het behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep geen aanleiding heeft gezien tot verlening van een vluchtelingenstatus. De minister heeft hiermee ten volle rekening gehouden met de door Griekenland verstrekte informatie.
5.3.
De beroepsgrond slaagt daarom niet. De minister was niet gehouden de Griekse vluchtelingenstatus over te nemen en heeft bij het nemen van een besluit op de asielaanvraag voldoende rekening gehouden met de in Griekenland toegekende vluchtelingenstatus. Hierna zal de rechtbank beoordelen of de minister bij het nemen van het besluit van 4 februari 2025 eisers verklaringen over zijn identiteit en de problemen met de Taliban ongeloofwaardig mocht achten.
Mocht de minister eisers identiteit ongeloofwaardig achten?
6. Eiser betoogt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zijn identiteit ongeloofwaardig is. Los van de vraag of de minister terecht tegenwerpt dat niet wordt voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan de minister zijn standpunt niet uitsluitend baseren op de omstandigheid dat niet is voldaan aan deze voorwaarde. Niet weersproken is dat eiser, zowel in Nederland als in Griekenland, zeer consistent heeft verklaard over zijn identiteitsgegevens.
6.1.
Eiser heeft zijn identiteit niet met objectieve documenten onderbouwd. De minister heeft zich over de kopieën van (oude) identiteitsdocumenten van zijn gestelde vader op het standpunt gesteld dat deze niet op echtheid zijn te onderzoeken, niet duidelijk is hoe eisers identiteit hiermee kan worden aangetoond en de omstandigheid dat twee personen dezelfde achternaam delen, nog niet betekent dat sprake is van een familierelatie. Dit standpunt heeft eiser in beroep niet weersproken. Dat betekent dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser zijn identiteit niet (volledig) met bewijsmateriaal heeft onderbouwd.
6.2.
De minister heeft daarom overeenkomstig Werkinstructie 2024/6 beoordeeld of eiser voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 opgenomen voorwaarden om hem het voordeel van de twijfel te geven. [4] Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000: eiser heeft volgens de minister geen goede verklaring gegeven voor het ontbreken van documenten met betrekking tot zijn identiteit. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval, anders dan eiser betoogt, zich kon beperken tot die beoordeling en niet hoefde na te gaan of eiser ook voldoet aan de andere in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 vermelde voorwaarden. Zoals deze zittingsplaats eerder heeft overwogen zijn de voorwaarden in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 cumulatief. [5] Dit kan uit de formulering van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, dat aan de basis staat van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, en de rechtspraak van het Hof van Justitie, worden afgeleid. Dat betekent dat het niet voldoen aan één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, in beginsel dus volstaat om een vreemdeling niet het voordeel van de twijfel te geven ten aanzien van verklaringen waarvoor bewijsmiddelen ontbreken en om het asielmotief ongeloofwaardig te achten. Wel moet de minister een toereikende individuele of volledige geloofwaardigheidsbeoordeling verrichten en mag de beoordeling niet tot een onredelijke uitkomst leiden. De rechtbank is van oordeel dat hieraan is voldaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een identiteit, die niet met documenten is onderbouwd, het zwaartepunt mag leggen bij het ontbreken van een toereikende verklaring voor het niet kunnen overleggen van die documenten. Dat een betrokkene in staat is om consequent te verklaren over zijn identiteit acht de rechtbank daarbij niet doorslaggevend.
6.3.
De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000. Eiser heeft het standpunt van de minister dat hij wisselend heeft verklaard over het niet kunnen verstrekken van een tazkera en een vaccinatiebewijs in beroep niet betwist en de rechtbank acht dit standpunt juist. Over de tazkera heeft eiser tijdens het verhoor bij de politie verklaard dat deze nog in Afghanistan ligt. Eiser heeft tijdens het schouw aanmeldgehoor amv in strijd hiermee verklaard dat hij zelf geen identificerende documenten heeft en dat hij behalve het vaccinatiebewijs geen documenten in Griekenland heeft overgelegd. [6] Op het aanmeldgehoor amv (zonder schouw) heeft eiser over de tazkera echter verklaard dat hij dit document heeft meegenomen vanuit Afghanistan naar Iran en ook naar Griekenland, maar dat het in Griekenland is ingenomen door de Griekse autoriteiten. [7] Tijdens het nader gehoor heeft eiser deze verklaring opnieuw gewijzigd: hij heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij zijn tazkera aan de Griekse autoriteiten heeft gegeven en dat hij met zijn familie heeft gesproken om eventueel een kopie te overleggen van dit document. [8] Vervolgens heeft hij in de correcties en aanvullingen op dit gehoor weer opgemerkt dat hij denkt dat zijn tazkera is ingenomen door de Griekse autoriteiten. Uit het Griekse asieldossier [9] blijkt verder dat eiser in Griekenland heeft verklaard geen identiteitsdocument te hebben. In reactie daarop heeft eiser in de zienswijze verklaard dat hij in de veronderstelling was dat hij de tazkera in Griekenland had overgelegd, maar dat hij in plaats daarvan de documenten in handen heeft gegeven van een landgenoot die hem hielp bij het indienen van de asielaanvraag in Griekenland en die had aangegeven dat hij de documenten zou inleveren bij de autoriteiten. Eiser heeft geen toelichting gegeven voor deze wederom gewijzigde verklaring.
Wat betreft het door eiser genoemde vaccinatiebewijs heeft eiser ook wisselend verklaard. Tijdens het schouw aanmeldgehoor amv verklaart eiser dat hij dit document onderweg is kwijtgeraakt. [10] Hij verklaart echter ook tijdens dit gehoor dat de Griekse politie de gegevens op de vaccinatiekaart heeft gebruikt en overgenomen. [11] Later verklaart hij weer dat het vaccinatieboekje in Griekenland is ingenomen, [12] wat niet overeenkomt met het Griekse asieldossier [13] en zijn latere verklaring in de zienswijze.
6.4.
Op grond van het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000. Daarom hoefde de minister de gestelde identiteit niet geloofwaardig te achten.
Problemen met de Taliban vanwege het militaire verleden van familieleden
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte eisers problemen vanwege het militaire verleden van zijn familie ongeloofwaardig heeft geacht. Dat hij pas in Nederland, en niet al in Griekenland, over deze problemen heeft verklaard mag de minister niet in zijn nadeel meewegen. Het is volgens eiser niet vreemd dat hij feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die pas in Nederland werden gevoeld als reden voor vertrek. Ook heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met eisers leeftijd, zowel ten tijde van zijn eerste vertrek uit Afghanistan (vijf jaar), zijn laatste vertrek uit Afghanistan (veertien jaar) als het asielgehoor in Griekenland (vijftien jaar). Bovendien hebben zijn ouders beide keren de beslissing genomen om Afghanistan te verlaten. Ook mocht de minister zich volgens eiser niet op het standpunt stellen dat het slechts vermoedens zijn dat de Taliban het (nog) op eiser gemunt hebben.
7.1.
Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen met de Taliban vanwege het militaire verleden van zijn familieleden niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de onder 7 weergegeven beroepsgrond van eiser is gericht tegen de toepassing van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. De minister heeft (in het voornemen) echter ook tegengeworpen dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000. Volgens de minister had eiser meer moeite moeten doen om de door hem genoemde documenten – kopieën van documenten die eiser zou kunnen verkrijgen waarop staat dat zijn vader en broer militair waren in het nationale leger van Afghanistan – te bemachtigen. De verklaring van eiser dat hij op het moment van het nader gehoor geen contact meer zou hebben met zijn ouders, omdat zij zouden zijn gedeporteerd en hun telefoons zouden zijn afgepakt, is volgens de minister geen verschoonbare reden voor het ontbreken van deze documenten. Eiser is namelijk al ruim voor die tijd gewezen op het belang van documenten die belangrijk zouden kunnen zijn voor zijn asielaanvraag.
7.2.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser dit standpunt in beroep niet heeft weersproken. Daarnaast kan de rechtbank dit standpunt volgen. Zoals de minister terecht stelt is eiser gewezen op het belang van het spoedig overleggen van documenten ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Tijdens het op 25 maart 2023 gehouden schouw aanmeldgehoor amv heeft de gehoorambtenaar eiser meegedeeld dat hij achtergelaten identificerende of andere voor zijn asielaanvraag belangrijke documenten alsnog spoedig kan overleggen. [14] Eiser stond toen nog in contact met zijn ouders, want hij heeft tijdens het aanmeldgehoor amv (zonder schouw) van 30 april 2023 verklaard dat hij een week daarvoor nog contact met hen had gehad. [15] Hij had gelet daarop meer kunnen ondernemen om de bedoelde documenten te bemachtigen. De minister heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000
7.2.2.
De rechtbank is ook van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de problemen met de Taliban vanwege het militaire verleden van zijn familieleden geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang
7.2.3.
De minister heeft terecht vastgesteld dat eiser het militaire verleden van zijn familie in de Griekse asielprocedure niet heeft genoemd als reden van vertrek, terwijl hij dat nu wel als reden van vertrek opgeeft. [16] Eiser heeft hiervoor geen goede verklaring gegeven. De uitleg dat een bepaalde omstandigheid pas later kan voelen als een reden van vertrek heeft de minister niet ten onrechte onvoldoende geacht. Daarbij komt dat de in Nederland afgelegde verklaringen op meerdere punten niet overeenkomen met die in Griekenland. Zo heeft eiser tegenstrijdig verklaard over zijn broers. De rechtbank merkt hierbij op dat de minister niet meer tegenwerpt dat eiser verschillend heeft verklaard over het aantal broers. Maar dat neemt niet weg dat zijn verklaring in Griekenland dat hij vijf broers en zussen heeft [17] en dat deze in Iran wonen [18] , niet overeenkomt met zijn verklaring in Nederland dat één van zijn broers is overleden of op een andere plek zou verblijven dan de rest van eisers familie [19] . Dit is te meer opvallend omdat deze broer in Afghanistan zou zijn overleden in de strijd tegen de Taliban en eiser dit als een van de redenen noemt waarom hij niet terug zou kunnen.
7.2.4.
De minister heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien hoe eiser vervolgd zou worden door de Taliban vanwege het militaire verleden van zijn familieleden, nu onduidelijk is of zijn broer en vader tegen de Taliban zouden hebben gevochten. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de minister terecht stelt dat eiser niet duidelijk heeft kunnen maken of de broer van eiser daadwerkelijk tegen de Taliban heeft gevochten. Ook heeft eiser met zijn verklaringen niet duidelijk kunnen maken of zijn vader tegen de Taliban heeft gevochten. Eiser heeft namelijk over zijn vader verklaard dat hij tegen de Sovjet-Unie of tegen de Taliban zou hebben gevochten. [20] Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte gewezen op het feit dat het offensief van de Taliban pas in 1994 is begonnen, terwijl eiser verklaart dat zijn vader waarschijnlijk al veertig jaar geleden voor het leger zou hebben gewerkt. Het betoog dat de minister in dit verband onvoldoende rekening heeft gehouden met de leeftijd van eiser slaagt niet. Dat eiser jong was ten tijde van het verblijf in Afghanistan en zijn vertrek is juist. Maar uit de verklaringen van eiser blijkt ook dat hij ook later veelvuldig in contact heeft gestaan met zijn ouders en veel informatie van hen heeft verkregen. Bovendien is het militaire verleden van zijn vader één van de hoofdredenen geweest van het vertrek van eiser. Daarom mocht van eiser verwacht worden, ondanks zijn jonge leeftijd, dat hij basale informatie, zoals tegen wie zijn vader heeft gevochten en voor wie zijn vader en dus ook eiser te vrezen heeft, kan verstrekken. De minister heeft dus voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser.
7.2.5.
De minister heeft het daarnaast niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat de Taliban het nog steeds op eiser gemunt zouden hebben. Dit baseert eiser enkel op vermoedens. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser niets meer van de Taliban heeft vernomen sinds zijn vertrek uit Afghanistan. [21] Ook in de week dat hij Iran was uitgezet naar Afghanistan, hebben eiser en zijn vader geen problemen gehad met de Taliban. Dat eiser die week in het grensgebied heeft verbleven en niet in een dorp of stad, en dus geen Afghaanse grenswachters heeft gezien, heeft de minister tegenstrijdig mogen achten met eerdere verklaringen. Eiser heeft namelijk eerder aangegeven in een plaats of stad te hebben verbleven. [22] Of Nimruz een stad of provincie is kan daarom in het midden blijven.
Ook heeft de minister tegengeworpen dat niet duidelijk is hoe eiser herkend zou worden als zoon en broer van mensen die tegen de Taliban zouden hebben gevochten. Daarop is eiser niet ingegaan.
7.2.6.
De minister heeft zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw 2000. Daarom hoefde de minister niet te volgen dat eisers familieleden problemen hebben gehad met de Taliban en eiser als gevolg daarvan te vrezen heeft. De beroepsgrond faalt.
Problemen vanwege grondbezit
8. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de problemen vanwege het grondbezit geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dat hij pas in Nederland, en niet al in Griekenland, over de dood van zijn oma en de verdwijning van zijn opa heeft verklaard, mag de minister niet ten nadele meewegen. Het is niet vreemd dat bepaalde feiten en omstandigheden achteraf pas als relevant worden gevoeld. Hierbij weegt mee dat de beslissing om Afghanistan te verlaten door eisers vader/ouders is genomen. De minister is ook onvoldoende ingegaan op de zienswijze, waarin eiser heeft gewezen op zijn minderjarigheid.
8.1.
Ook deze verklaringen heeft eiser niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de Griekse asielprocedure heeft verteld over problemen met grond, maar hij brengt deze problemen volgens die verklaringen in verband met zijn vader, niet met zijn opa en oma. [23] Hij heeft in Griekenland ook niet verklaard over de dood van zijn oma en/of de verdwijning van zijn opa, terwijl hij het nu noemt als één van de redenen van vertrek. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld, ook gelet op wat eerder onder 7.2.3 is overwogen, dat eiser geen toereikende verklaring heeft gegeven voor deze inconsistenties.
8.2.1.
Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat eiser vaag heeft verklaard over deze problemen. Eiser weet niet zeker dat de Taliban het huis van zijn familie zouden hebben beschoten, maar hij neemt dat aan. Ook heeft de minister niet ten onrechte tegengeworpen dat weinig pogingen zijn gedaan om meer duidelijkheid te verkrijgen over de verdwijning van eisers opa. Eisers leeftijd is voor het voorgaande geen toereikende verklaring, nu het hier om de kern gaat van het relaas (de gestelde beschieting was een belangrijke reden om Afghanistan te verlaten) en de verklaringen van eiser ook hoofdzakelijk gebaseerd zijn op gesprekken met zijn ouders, zodat verwacht mag worden dat hij daarover meer kan verklaren. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de overwegingen hiervoor onder 7.2.4. Eiser heeft verder onvoldoende toegelicht waarom de Taliban achter dit alles zouden zitten en waarom zij dit hem als kleinzoon nu nog aanrekenen. Ook heeft eiser onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de Taliban na zoveel jaren nog steeds naar hem op zoek zouden zijn.
8.3.
De minister heeft zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Daarom hoefde de minister eiser niet te volgen in zijn verklaring dat zijn familieleden problemen hebben gehad met de Taliban en hij als gevolg daarvan te vrezen heeft. De beroepsgrond faalt.
Tussenconclusie
9. Gelet op het voorgaande heeft de minister de verklaringen over de problemen met de Taliban op goede gronden ongeloofwaardig geacht. Deze onderdelen van het asielrelaas zijn daarom bij de beoordeling van eisers vrees voor vervolging of ernstige schade in Afghanistan terecht buiten beschouwing gelaten.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat Hazara niet als risicoprofiel kunnen worden aangemerkt?
10. Eiser betoogt dat de minister zijn standpunt dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan vanwege het behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep niet te vrezen heeft voor de Taliban niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Eiser is in Griekenland vanwege zijn Hazara-afkomst in het bezit gesteld van een vluchtelingenstatus. Door de minister is onvoldoende onderbouwd dat de situatie in Afghanistan voor Hazara’s sindsdien is verbeterd in de zin dat het vervolgingsrisico is verdwenen of kleiner is geworden. Daarnaast heeft de minister bij de beoordeling van het risico onvoldoende betrokken dat eiser vanaf vijfjarige leeftijd altijd buiten Afghanistan heeft gewoond, dat hij in Afghanistan geen netwerk heeft en dat hij afkomstig is uit de provincie Daikundi, waar de Hazara een minderheid zijn.
10.1.
De minister heeft zich, onder verwijzing naar het landgebonden asielbeleid in paragraaf C7/2.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, op het standpunt gesteld dat personen behorend tot de Hazara-bevolkingsgroep niet zijn aangemerkt als risicoprofiel. Volgens de minister is, gelet op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2023 (ambtsbericht), de situatie van Hazara in Afghanistan in vergelijking met die ten tijde van de statusverlening in Griekenland zodanig veranderd dat niet wordt aangenomen dat iedereen die behoort tot de Hazara bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen heeft voor vervolging dan wel ernstige schade. Dat betekent dat eiser op basis van persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij bij terugkeer te vrezen heeft vanwege het behoren tot de Hazara. Volgens de minister is eiser daarin niet geslaagd, omdat hij geen concrete en reële vrees in dit kader naar voren heeft gebracht.
10.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister zijn standpunt dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan, als Hazara, niet te vrezen heeft voor vervolging dan wel ernstige schade in de eerste plaats baseert op de, uit het ambtsbericht blijkende, gewijzigde situatie van Hazara onder het Taliban-regime. Dat standpunt, dat ook ten grondslag ligt aan het met WBV 2024/5 gewijzigde landgebonden asielbeleid [24] , kan de rechtbank niet zonder meer volgen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
10.3.
In het ambtsbericht staat dat de Hazara’s de bevolkingsgroep in Afghanistan zijn die traditioneel het meest te lijden had onder discriminatie, vooroordelen, racisme en etnisch geweld. [25] Deze rancune was gebaseerd op etniciteit en/of religie. Sinds de machtsovername door de Taliban zijn de historisch sterke anti-Hazara sentimenten nog steeds aanwezig. Het gerichte geweld dat tegen Hazara en/of Sjiieten wordt gepleegd, komt van de kant van de Islamitische Staat in de Provincie Khorasan (ISKP) en niet in algemene zin van de zijde van de Taliban. Ongeveer 10 tot 15 procent van de Afghaanse bevolking is sjiitisch en daarvan is circa 90% Hazara. [26] Bij geweldsincidenten vielen van 30 augustus 2021 tot 30 september 2022 bij 22 geregistreerde aanvallen op burgers (waarvan 16 aanvallen op Hazara’s betrof) ten minste 334 doden en 631 gewonden. Gelet op de schaal van deze daden en het aantal slachtoffers, afgezet tegen de totale bevolking kan hieruit, net als de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 18 december 2019 [27] , niet worden afgeleid dat Hazara als groep in Afghanistan een gegronde vrees voor vervolging hebben en/of systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen.
10.4.
Dat de situatie van Hazara in Afghanistan in vergelijking met de situatie ten tijde van de statusverlening in Griekenland in positieve zin is veranderd volgt de rechtbank echter niet. Uit het ambtsbericht volgt onder het kopje ‘situatie Hazara’s in vergelijking met vóór de machtsovername’ dat volgens UNAMA veel aanvallen, waaronder zelfmoordaanslagen en geïmproviseerde explosieven op burgers, gericht tegen sjiitische moslims, met name etnische Hazara’s plaatsvinden. Dit komt, aldus het ambtsbericht, overeen met de waargenomen trend van de afgelopen jaren. Ook blijkt daaruit dat UNAMA melding heeft gemaakt van een heropleving van dergelijke aanslagen tegen de Hazara-gemeenschap. Volgens een bron is de situatie van Hazara’s duidelijk slechter dan vóór de machtsovername van de Taliban. Zij worden nog steeds gediscrimineerd in de samenleving, waren doelwit van een groter aantal aanslagen dan voorheen en kunnen niet rekenen op daadwerkelijke bescherming door de overheid. Volgens een andere bron waren er sinds de machtsovername meer aanvallen van ISKP op Hazara’s. [28]
10.5.
De rechtbank leidt uit het ambtsbericht niet af, zoals de minister doet, dat de positie van Hazara in Afghanistan onder het Taliban-regime is verbeterd. De minister is daarom bij de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Afghanistan op grond van zijn Hazara-etniciteit risico loopt uitgegaan van een onjuist uitgangspunt. Daarbij komt dat de minister in de beoordeling van de door eiser gestelde vrees niet alle door hem naar voren gebrachte individuele omstandigheden heeft betrokken. Eiser heeft aangevoerd dat hij een zeer korte tijd in Afghanistan heeft verbleven: hij is op vijfjarige leeftijd uit Afghanistan vertrokken en heeft sindsdien, met uitzondering van een korte periode van een week, altijd in het buitenland gewoond. Eiser heeft ook aangegeven wegens zijn verblijf in Iran niet over een netwerk in Afghanistan te beschikken. Verder heeft eiser verklaard dat hij afkomstig is uit de provincie Daikundi, waar de Hazara een minderheid zijn. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser vanwege de combinatie van de genoemde individuele factoren in samenhang bezien, daarbij in aanmerking genomen de niet wezenlijk gewijzigde positie van Hazara in Afghanistan onder het Taliban-regime, niet heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Daarom is het besluit van 4 februari 2025 niet in overeenstemming met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepsgrond slaagt. Het beroep is, voor zover gericht tegen het besluit van 4 februari 2025, gegrond en dit besluit dient te worden vernietigd.
Weigering ambtshalve verblijfsvergunning en terugkeerbesluit
11. Zoals in het procesverloop is uiteengezet heeft de minister hangende het beroep tegen het besluit van 4 februari 2025 tot afwijzing van de asielaanvraag op 20 augustus 2025 een besluit genomen strekkende tot ambtshalve weigering van een reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid en de oplegging van een terugkeerbesluit. Het beroep tegen het besluit van 4 februari 2025 is, gelet op artikel 6:19 van Pro de Awb, ook gericht tegen het besluit van 20 augustus 2025. De onlosmakelijke samenhang tussen beide beslissingen brengt met zich, dat de vernietiging van het besluit van 4 februari 2025 tot afwijzing van de asielaanvraag tot gevolg heeft, dat alleen daarom al de weigering om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, ook dient te worden vernietigd. [29] Dit geldt ook voor het terugkeerbesluit. Dit betekent dat het besluit van 20 augustus 2025 ook dient te worden vernietigd.
Het beroep met zaaknummer NL25.40664
12. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat het beroep met zaaknummer NL25.7374 tegen het besluit van 4 februari 2025 ook betrekking heeft op het daarna genomen besluit van 20 augustus 2025. Het was dus niet nodig om tegen het besluit van 20 augustus 2025 nog afzonderlijk beroep in te stellen. De rechtbank zal daarom geen uitspraak doen op dit beroep.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep tegen de besluiten van 4 februari 2025 en 20 augustus 2025 is gegrond. De rechtbank vernietigt deze besluiten daarom.
De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken. De rechtbank ziet geen aanleiding, gelet op de gegrondverklaring, de overige beroepsgronden te bespreken.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.335,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere reactie op het besluit van 20 augustus 2025, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de besluiten van 4 februari 2025 en 20 augustus 2025;
  • draagt de minister op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. J.M. Emaus en mr. H. van Eijken, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Generalstaatsanwaltschaft Hamm, ECLI:EU:C:2024:521.
2.18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:524.
4.Uit WI 2024/6 blijkt dat de gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling, zoals identiteit, in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling op dezelfde manier worden beoordeeld als de asielmotieven.
5.Rb Den Haag (zp Arnhem) 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149, onder 10.3.1.
6.P. 5.
7.P. 7.
8.P. 7 en 16.
9.P. 10.
10.P. 3.
11.P. 5.
12.Aanmeldgehoor AMV (zonder schouw), p. 7 en nader gehoor, p. 7.
13.P. 10.
14.P. 3.
15.P. 8.
16.Aanmeldgehoor AMV (zonder schouw), p. 12 en 15.
17.In Nederland stelt hij dat hij twee zussen heeft, zie aanmeldgehoor amv (zonder schouw), p. 9.
18.Zie vertaling Griekse registratieformulier aanvraag, p. 3.
19.Zijn overleden broer was volgens die verklaringen al in 2020 teruggegaan naar Afghanistan, zie het nader gehoor, p. 12.
20.Aanmeldgehoor amv (zonder schouw), p. 13.
21.Nader gehoor, p. 24.
22.Schouw aanmeldgehoor AMV, p. 4, aanmeldgehoor amv (zonder schouw), p. 12 en nader gehoor, p. 5.
23.Zie vertaling Griekse registratieformulier aanvraag, p. 11 en 12.
24.Stcrt. 2024, nr. 6046.
25.P. 89.
26.P. 88.
28.P. 91.
29.ABRvS 11 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7449, onder 2.2 en ABRvS 21 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8192, onder 2.2.