ECLI:NL:RVS:2021:1431

Raad van State

Datum uitspraak
7 juli 2021
Publicatiedatum
1 juli 2021
Zaaknummer
202005510/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over ingangsdatum verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verleende bij besluit van 1 november 2019 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 14 maart 2019. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak.

De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de ingangsdatum van de vergunning vóór de datum van indiening van de opvolgende aanvraag kon worden gesteld. Het gewijzigde landenbeleid dat de reden was voor inwilliging gold immers nog niet ten tijde van de eerdere aanvraag.

Hoewel het oorspronkelijke besluit een motiveringsgebrek bevatte en daarom vernietigd moest worden, vond de Afdeling dat de rechtsgevolgen van dat besluit uit oogpunt van definitieve geschilbeslechting in stand moesten blijven. De uitspraak van de rechtbank werd daarom vernietigd voor zover deze de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen en nagelaten had de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit blijven in stand.

Uitspraak

202005510/1/V1.
Datum uitspraak: 7 juli 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 22 september 2020 in zaak nr. NL19.28947 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 1 november 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, met ingang van 14 maart 2019 ingewilligd.
Bij uitspraak van 22 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat te Maastricht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2021:1430. Uit de overwegingen van die uitspraak volgt dat de staatssecretaris terecht klaagt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in zijn verweerschrift van 24 augustus 2020 alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd dat het moment van indienen van de opvolgende asielaanvraag, namelijk op 14 maart 2019, bepalend is voor de ingangsdatum van de asielvergunning. Het gewijzigde landenbeleid, zoals weergegeven in WBV 2019/11 van 26 juli 2019, dat de reden is voor inwilliging van de aanvraag, gold namelijk nog niet ten tijde van de eerdere asielaanvraag. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat de ingangsdatum van de asielvergunning te stellen op een datum die ligt vóór de datum van indiening van de opvolgende aanvraag. Ook hier is geen duidelijk omslagpunt aan te wijzen. In dit geval zou dat moeten gaan om een omslagpunt sinds wanneer Kaboel niet langer een veilig verblijfsalternatief was. De rechtbank heeft de staatssecretaris daarom ten onrechte opgedragen een nieuw besluit te nemen en ten onrechte nagelaten de rechtsgevolgen van het besluit van 1 november 2019 in stand te laten.
De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen en heeft nagelaten te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Omdat niet in geschil is dat het besluit van 1 november 2019 een motiveringsgebrek bevat, heeft de rechtbank het beroep terecht gegrond verklaard en dat besluit terecht vernietigd. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat het besluit feitelijk toch blijft gelden.
3.       De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 22 september 2020 in zaak nr. NL19.28947, voor zover zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen en heeft nagelaten te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 november 2019, V-nr. […], in stand blijven;
III.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. D.A. Verburg, en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2021
488-941.