ECLI:NL:RBDHA:2026:6740

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.44138 en NL25.44139
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 28 VwArt. 64 VwArtikel 2 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielberoep van Jezidi's uit Sinjar tegen afwijzing verblijfsvergunning

Eisers, twee Jezidi's uit de regio Sinjar in Irak, dienden op 7 februari 2023 asielaanvragen in die door de minister van Asiel en Migratie op 15 augustus 2025 werden afgewezen. Eisers voerden aan dat zij vanwege hun afkomst worden gediscrimineerd en vrezen vervolging en ernstige schade bij terugkeer. De minister erkende de discriminatie maar vond deze onvoldoende zwaarwegend en wees terugkeer naar een ontheemdenkamp in de Koerdische Autonome Regio (KAR) aan als normale woon- of verblijfplaats.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het ontheemdenkamp als normale verblijfplaats kan worden beschouwd, mede gelet op recente landeninformatie en eerdere uitspraken. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat de minister niet volledig recht heeft gedaan aan alle asielmotieven, maar vindt de beoordeling van het verblijfskamp onjuist.

De beroepen worden gegrond verklaard, de afwijzingen van de asielaanvragen worden vernietigd en de minister wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van €1.868,-.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvragen en beveelt hernieuwde besluitvorming met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.44138 en NL25.44139

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1] , eiser 1,

geboren op [datum 1] ,
[naam 2], eiser 2,
geboren op [datum 2] ,
V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. [1] Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvragen geen stand houdt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben beiden op 7 februari 2023 aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 15 augustus 2025 afgewezen als ongegrond. Aan eiser 1 is voorlopig uitstel van vertrek verleend en is een rechterlijke dwangsom vastgesteld. [2] Aan eiser 2 is een terugkeerbesluit opgelegd, waarin is bepaald dat hij binnen vier weken moet vertrekken. Bij aanvullend besluit van 15 augustus 2025 is ten aanzien van eiser 2 ook vastgesteld dat een rechtelijke dwangsom is verbeurd.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 15 augustus 2025.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eisers hebben aan hun asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij vanwege hun afkomst als jezidi in Irak worden gediscrimineerd. Eiser 1 heeft verklaard dat hij geen of weinig werk kon krijgen. Eiser 2 heeft verklaard dat hij dagelijks werd vernederd en als hij werk kreeg werd uitgebuit. Eisers hebben beiden verklaard dat in Irak het doden van jezidi’s wordt gepredikt als toegestaan. Volgens eisers zijn de leefomstandigheden in het vluchtelingenkamp erbarmelijk. Zij zijn daarom gevlucht zodra ze hiervoor geld hadden en zijn via Turkije en Griekenland naar Nederland gereisd.
De besluitvorming
4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • De identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers;
  • discriminatie vanwege de jezidi achtergrond.
De minister acht beide motieven geloofwaardig, maar onvoldoende zwaarwegend voor een gegronde vrees op vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Eisers hebben volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer dusdanig gediscrimineerd worden dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De minister heeft hierbij betrokken dat aan eisers in Griekenland een vluchtelingenstatus is verleend. Verder heeft de minister het tentenkamp waar eisers eerder hebben verbleven aangemerkt als normale woon- of verblijfplaats. Volgens de minister kunnen eisers terugkeren naar dit tentenkamp en lopen zij daar geen reëel risico op ernstige schade. Daartoe heeft de minister gesteld dat uit landeninformatie uit de periode van 2022 tot december 2024 dat in het tentenkamp basisvoorzieningen en hulporganisaties aanwezig zijn.
Heeft de minister het asielrelaas volledig beoordeeld?
5. Eisers hebben betoogd dat zij als jezidi's in Irak gegronde vrees op vervolging hebben en een reëel risico op ernstige schade lopen. Volgens eisers heeft de minister geen recht gedaan aan alle asielmotieven. Eisers vrezen om te worden gedood door radicale moslims als zij zich niet bekeren. Eisers stellen dat hun asielrelaas elementen kent van geweld, doodsbedreigingen en trauma als gevolg van vervolging die een bredere basis vormen voor de vrees. De minister heeft deze cumulatieve factoren ten onrechte niet in samenhang beoordeeld. Ter onderbouwing is gewezen op artikel 2 van Pro de Kwalificatierichtlijn, het Elgafaji-arrest [3] en naar drie uitspraken van deze rechtbank. [4]
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eisers niet hebben verklaard dat zij persoonlijk geweld of bedreigingen hebben ondervonden vanwege hun afkomst. De rechtbank volgt eisers daarom niet in de stelling dat de minister niet volledig recht heeft gedaan aan de aangedragen asielmotieven. De minister heeft de verklaringen voldoende beoordeeld in het asielmotief dat eisers vanwege hun afkomst worden gediscrimineerd. Eisers hebben verder niet met stukken onderbouwd dat zij zijn getraumatiseerd. Het betoog slaagt niet in zoverre.
Mocht de minister het ontheemdenkamp aanmerken als normale woon- of verblijfplaats?
6. Eisers hebben verder betoogd dat uit actuele landeninformatie blijkt dat sprake is van onmenselijke leefomstandigheden in de tentenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR), en van een onveilige situatie in de Sinjar regio. Daarom kan niet van hen verlangd kan worden dat zij daarnaar moeten terugkeren. Ter onderbouwing is gewezen op de uitspraak van 4 februari 2025 van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. [5] Ook is landeninformatie overgelegd. [6]
6.1.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het ontheemdenkamp in de KAR kan worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio. De rechtbank verwijst daartoe naar haar uitspraken van onder meer 27 februari 2025, [7] 8 juli 2025, [8] 18 augustus 2025 [9] en 24 november 2025 [10] en maakt de rechtsoverwegingen 11.2 tot en met 11.7 in de uitspraak van 24 november 2025 in deze uitspraak tot de hare.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De minister heeft de asielaanvragen ten onrechte afgewezen. Al om deze reden heeft de minister aan eiser 2 geen terugkeerbesluit mogen opleggen. De beroepsgrond over dit terugkeerbesluit behoeft daarom geen bespreking. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten, voor zover hierin de asielaanvragen zijn afgewezen, wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb. [11] De rechtbank laat in stand dat aan eiser 1 voorlopig uitstel van vertrek is verleend en een dwangsom is toegekend. Ook blijft het aanvullende besluit van 15 augustus 2025 in stand.
8. De rechtbank zal de minister opdragen opnieuw op de asielaanvragen van eisers te beslissen. Hierbij dient de minister rekening te houden met wat in deze uitspraak is overwogen.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand in samenhangende zaken vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten, voor zover hierin de asielaanvragen van eisers zijn afgewezen;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvragen van eisers, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 4 wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De Vreemdelingenwet 2000.
2.Als bedoeld in artikel 64 van Pro de Vw.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 17 februari 2009, zaaknummer C‑465/07, ECLI:EU:C:2009:94.
6.Het EUAA CG rapport van november 2024, het EUAA COI rapport van oktober 2025, het UK Home Office Country Policy rapport van september 2025, informatie van Vluchtelingenwerk (VWN) van 17 september en 19 juni 2025.
11.De Algemene wet bestuursrecht.