ECLI:NL:RBDHA:2026:7117
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne en terugkeerbesluit bevestigd
Eiser, een Algerijnse derdelander die vanwege de inval in Oekraïne tijdelijke bescherming genoot, werd door verweerder op 7 februari 2024 geïnformeerd dat zijn tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 zou eindigen en dat hij binnen vier weken Nederland moest verlaten. Na diverse prejudiciële vragen aan het HvJ EU en daaropvolgende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en rechtbanken, nam verweerder op 24 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit.
Eiser betwistte dit besluit en voerde aan dat het onderscheid tussen Oekraïense ontheemden en derdelanders onrechtmatig is, en dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen om individuele omstandigheden, zoals arbeidsmarktoegang, aan te voeren. Verweerder stelde dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege eindigde en dat het terugkeerbesluit daarmee rechtmatig is.
De rechtbank oordeelde dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming van derdelanders eerder mag plaatsvinden dan die van Oekraïners, mits niet vóór 4 maart 2024. Het vervangende besluit voldoet aan de Europese richtlijnen en eiser had voldoende gelegenheid om zijn zienswijze kenbaar te maken. De rechtbank verwierp het beroep als ongegrond en veroordeelde verweerder in de proceskosten van € 934.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en de tijdelijke bescherming wordt beëindigd met een terugkeerverplichting binnen vier weken.