ECLI:NL:RBDHA:2026:7121
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over refoulementbeoordeling bij twijfel over nationaliteit in asielprocedure
De rechtbank Den Haag behandelt een zaak waarin eiser zijn Eritrese nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt in een asielprocedure. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag afgewezen en een terugkeerbesluit gehandhaafd met Eritrea als land van bestemming, zonder een inhoudelijke refoulementbeoordeling te maken.
De rechtbank bevestigt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Eritrese nationaliteit bezit, mede op basis van een rapport van Bureau Documenten dat de authenticiteit van de geboorteakte betwist. Eiser heeft geen contra-expertise overgelegd en ook geen nieuw feitenmateriaal dat de formele rechtskracht van het eerdere besluit doorbreekt.
De kern van het geschil betreft de vraag of bij het vaststellen van een terugkeerbesluit een refoulementbeoordeling moet worden gemaakt als de nationaliteit en herkomst van de vreemdeling niet vaststaan. De rechtbank constateert een schijnbare tegenstrijdigheid tussen de verplichting om een land van bestemming te benoemen en de moeilijkheid om het risico op refoulement te beoordelen zonder aannemelijke nationaliteit.
Daarom stelt de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de reikwijdte en inhoud van de refoulementbeoordeling in dergelijke situaties. De behandeling van het beroep wordt geschorst totdat het Hof uitspraak doet. Tevens wijst de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening toe waardoor uitzetting wordt opgeschort totdat de einduitspraak is gedaan.
Uitkomst: De behandeling van het beroep wordt geschorst en prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie over de refoulementbeoordeling bij twijfel over nationaliteit.