ECLI:NL:RBDHA:2026:7141
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. Eiser betwistte dit besluit en voerde aan dat verweerder niet volstaan mocht met standaardverwijzingen, maar een individuele beoordeling had moeten maken, mede gelet op zijn psychische kwetsbaarheid en suïciderisico.
De rechtbank oordeelde dat het standaardvoornemen van verweerder aan de vereisten voldoet en dat de persoonlijke omstandigheden van eiser in het besluit zijn betrokken. De rechtbank nam aan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met die in Nederland en dat eiser geen bewijs had geleverd dat zijn medische situatie door overdracht zou verslechteren. Het beroep op het arrest C.K. en de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie werden verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af wegens het ontbreken van connexiteit. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter J. Holleman op 27 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.