AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit weigering asielaanvraag wegens onevenredige hardheid bij overdracht aan Duitsland
Eiseres, een Iraakse asielzoekster, diende op 11 juni 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder weigerde deze in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat zij risico's loopt bij overdracht aan Duitsland, waaronder gebrek aan opvang, medische zorg en dreiging van eerwraak.
De rechtbank oordeelde dat Duitsland terecht als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen en dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres slaagde er niet in met concrete landeninformatie aan te tonen dat zij een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRMPro en artikel 4 HandvestPro bij overdracht.
Wel erkende de rechtbank dat eiseres psychische klachten heeft die verergeren door de dreiging van overdracht. Verweerder had dit onvoldoende gemotiveerd en had geen rekening gehouden met bijzondere individuele omstandigheden die een onevenredige hardheid vormen. Daarom werd het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent bijzondere individuele omstandigheden.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50133
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).
Procesverloop
Bij besluit van 14 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL25.50134) te treffen.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening stonden aanvankelijk gepland voor zitting op 4 december 2025. Bij brief van 2 december 2025 heeft verweerder om aanhouding verzocht, omdat hij medisch advies wilde vragen aan het Bureau Medische Advisering (BMA). De rechtbank heeft dit aanhoudingsverzoek toegewezen en de zaken aangehouden.
Verweerder heeft op 2 januari 2026 een medisch advies van het BMA overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Ziad als tolk en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres de gelegenheid te geven nadere stukken in te dienen en verweerder de gelegenheid te geven daarop te reageren.
Na ontvangst van die nadere stukken van eiseres en de reactie daarop van verweerder, heeft de rechtbank het onderzoek op 8 januari 2026 gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Eiseres heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1994. Zij heeft haar asielaanvraag in Nederland op 11 juni 2025 ingediend.
1.2.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiseres op 29 november 2024 illegaal via Italië het grondgebied van de lidstaten is ingereisd en dat eiseres op 4 december 2024 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 14 juli 2025 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) .Duitsland heeft dit terugnameverzoek op 16 juli 2025 op die grondslag aanvaard.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
3. Eiseres voert in de eerste plaats aan dat Italië en niet Duitsland de verantwoordelijke lidstaat is op grond van de Dublinverordening. Dit betekent dat verweerder eiseres op de verkeerde lidstaat heeft geclaimd en aan de verkeerde lidstaat wil overdragen. Verder voert eiseres aan dat zij om meerdere reden niet mag worden overgedragen aan Duitsland. In Duitsland vreest zij aan haar lot te worden overgelaten en geen opvang en passende zorg te zullen krijgen, terwijl dat in haar geval wel noodzakelijk is. In dit verband heeft eiseres verwezen naar het AIDA-rapport ‘Country Report: Germany 2024 Update’ van juni 2025, pagina 81. In Duitsland vreest zij ook slachtoffer te worden van eerwraak. Haar ex-echtgenoot in Irak, die het op haar gemunt heeft, zweert samen met de neven van eiseres die in Duitsland wonen. Duitsland doet niets om haar te beschermen en heeft haar asielaanvraag afgewezen. Verder wijst eiseres erop, onder verwijzing naar de overgelegde medische informatie, dat zij psychologische problemen en suïcidale gedachten heeft die mede zijn veroorzaakt door haar slechte ervaringen in Duitsland en dat haar stress, depressiviteit, suïcidale gedachten en overige klachten worden verergerd door de gedachte dat zij naar Duitsland wordt teruggestuurd. Eiseres stelt dat haar overdracht in strijd is met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127 (arrest C.K.) dan wel dat verweerder hierin aanleiding had moeten zien haar asielaanvraag vanwege bijzondere omstandigheden met toepassing van artikel 17 vanPro de Dublinverordening aan zich te trekken.
Na de zitting heeft eiseres verder nog gesteld, onder verwijzing naar de overgelegde nadere stukken, dat het claimakkoord is gebaseerd op een onjuiste grondslag, omdat Duitsland haar asielaanvraag heeft afgewezen.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiseres daartegen heeft aangevoerd.
Verantwoordelijke lidstaat
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank, die hierbij mede heeft gelet op artikelen 24, vijfde lid, en 25, eerste lid, van de Dublinverordening en op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1401, mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat de autoriteiten van een aangezochte lidstaat die uitdrukkelijk met een terugnameverzoek hebben ingestemd, hebben onderzocht of zij verantwoordelijk zijn voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming en juist hebben vastgesteld dat zij dat zijn. Dat wordt anders als de vreemdeling concrete aanknopingspunten aandraagt waaruit blijkt dat de autoriteiten van de aangezochte lidstaat hun verantwoordelijkheid ten onrechte hebben vastgesteld.
5.2.
In dit geval hebben de autoriteiten van Duitsland uitdrukkelijk met het terugnameverzoek ingestemd. Eiseres heeft, op haar beurt, naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanknopingspunten aangedragen die erop wijzen dat Duitsland zijn verantwoordelijkheid voor de behandeling ten onrechte heeft vastgesteld. De enkele door eiseres aangevoerde omstandigheid dat zij eerst in Italië is geregistreerd en asiel heeft aangevraagd, levert geen concreet aanknopingspunt op als hiervoor bedoeld. Er zijn immers diverse redenen denkbaar op grond waarvan Duitsland, ondanks het voorgaande, de verantwoordelijke lidstaat kan zijn geworden (zoals het ongebruikt laten verstrijken van de claim- of overdrachtstermijn ten opzichte van Italië of het onverplicht aan zich trekken van de asielaanvraag). Verweerder gaat er daarom terecht van uit dat Duitsland de verantwoordelijke lidstaat is. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag claimakkoord
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder er bij een uitdrukkelijk claimakkoord in beginsel van uitgaan dat het claimakkoord door de verantwoordelijke lidstaat op de juiste juridische grondslag is gebaseerd. Het is aan de vreemdeling om concrete aanknopingspunten voor het tegendeel aan te dragen.
6.2.
Duitsland heeft het terugnameverzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, hetgeen betekent dat haar asielaanvraag in Duitsland nog in behandeling is. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de documenten die zij na de zitting heeft ingediend geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die erop wijzen dat de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek op een onjuiste grondslag hebben geaccepteerd. Uit de documenten die eiseres heeft ingediend blijkt dat de Duitse autoriteiten haar op 4 december 2024 een toegangsweigering, met besluit tot verwijdering naar in eerste instantie Oostenrijk en in tweede instantie Irak, hebben opgelegd. Uit deze documenten volgt echter niet dat de Duitse autoriteiten de asielaanvraag die eiseres in Duitsland heeft ingediend hebben afgewezen en dat haar asielaanvraag thans niet meer in behandeling is bij de Duitse autoriteiten. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het claimakkoord ten onrechte is gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, en 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
7.2.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat eiseres bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op een met artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 vanPro het EVRM en artikel 4 vanPro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over haar eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Duisland.
Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).
7.3.
Eiseres vreest dat zij dat na overdracht aan Duitsland geen opvang en passende medische zorg zal krijgen en op eenzelfde slechte wijze zal worden behandeld als tijdens haar eerdere verblijf in Duitsland, en daardoor in een met artikel 3 vanPro het EVRM en artikel 4 vanPro het Handvest strijdige situatie terecht zal komen.
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet met landeninformatie aannemelijk heeft gemaakt dat zij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten op het gebied van opvang en zorg, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM. Haar enkele verwijzing naar pagina 81 van het AIDA-rapport is hiertoe ontoereikend. Daaruit blijkt weliswaar dat er in Duitsland geen uniforme procedure is voor de ontvangst en verdere behandeling van Dublinclaimanten, maar daaruit blijkt niet dat terugkerende Dublinclaimanten structureel en in groten getale (langdurig) van opvang en medische zorg verstoken blijven. Ook blijkt daaruit niet dat kwetsbare Dublinclaimanten, zoals eiseres, een verhoogd risico lopen om geen opvang en zorg te krijgen. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat er op grond van artikelen 31 en 32 van de Dublinverordening een uitwisseling van algemene en (indien eiseres hiervoor toestemming geeft) medische gegevens van eiseres kan plaatsvinden tussen Nederland en Duitsland, waardoor de autoriteiten van Duitsland voor de overdracht over eventuele bijzondere (medische) behoeften van eiseres worden geïnformeerd. Eiseres heeft niet met landeninformatie aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten na overdracht van de vreemdeling onvoldoende doen met de algemene en medische gegevens die zij op grond van artikelen 31 en 32 van de Dublinverordening verstrekt krijgen van de overdragende lidstaat.
7.5.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorts terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres ook met haar verklaringen over wat zij zelf in Duitsland heeft meegemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM. Eiseres heeft weliswaar verklaard en met stukken onderbouwd dat de Duitse autoriteiten haar een toegangsweigering hebben opgelegd en voornemens waren haar uit te zetten naar Irak en haar daartoe ook hebben gedetineerd, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat eiseres na overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met voormelde bepalingen. De verklaringen van eiseres gaan over de wijze waarop zij bij eerste aankomst in Duitsland is behandeld en niet over de situatie zij als Dublinclaimant aan Duitsland zal worden overgedragen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64). Over dit laatste kan eiseres ook niet verklaren, nu zij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben met het uitdrukkelijke claimakkoord gegarandeerd dat het verzoek van eiseres om internationale bescherming zal worden behandeld. Eiseres heeft niet met landeninformatie aannemelijk gemaakt dat Dublinclaimanten, die gereguleerd worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten, na overdracht aan Duitsland een reëel risico lopen om in eenzelfde situatie terecht te komen als eiseres eerder in Duitsland heeft meegemaakt.
7.6.
Voor zover eiseres ook stelt dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Nog daargelaten dat de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, heeft geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, overweegt de rechtbank dat er in het geval van eiseres geen grond bestaat voor het oordeel dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement. Weliswaar heeft eiseres eerder in Duitsland een toegangsweigering met besluit tot verwijdering naar Irak ontvangen, maar uit het claimakkoord van de Duitse autoriteiten blijkt dat de asielaanvraag van eiseres in Duitsland nog in behandeling is. Verweerder mag hiervan uitgaan en hij mag er ook van uitgaan dat de asielaanvraag in Duitsland wordt behandeld in overeenstemming met de internationale regels, waaronder het verbod op refoulement. Als de asielaanvraag van eiseres in Duitsland zal worden afgewezen, geldt dat zij dit kan aanvechten bij de Duitse (desnoods hoogste) rechter. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse (hoogste) rechter haar niet zal beschermen tegen refoulement.
7.7.
Indien eiseres zich na overdracht aan Duitsland, onverhoopt, geconfronteerd zou zien met problemen (bijvoorbeeld bij het verkrijgen van opvang of zorg), geldt dat zij zich hierover dienen te beklagen bij de Duitse (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten niet willen of kunnen helpen of dat klagen in Duitsland onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
7.8.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de Duitse autoriteiten hun internationale verplichtingen ten aanzien van eiseres nakomen, en dat eiseres onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die erop wijzen dat bij haar overdracht aan Duitsland het tegendeel het geval zal zijn en dat zij om die reden een reëel risico loopt om in Duitsland in een met artikel 3 vanPro het EVRM en artikel 4 vanPro het Handvest strijdige situatie terecht te komen. Gelet hierop heeft verweerder terecht gesteld dat hij niet op grond van artikel 3, tweede lid, derde alinea, van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres, en heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, eerste gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) aan zich te trekken. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Arrest C.K.
8.1.
Uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
8.2.
Eiseres heeft na het bestreden besluit medische stukken overgelegd, waaronder haar medisch dossier en een (intake)verklaring van een GZ-psycholoog en psychiater. Uit laatstgenoemde verklaring blijkt het volgende. Bij eiseres, die bij de GGZ is aangemeld in verband met een verhoogd risico op suïcide, is er diagnostisch gezien sprake van een ongespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis. Eiseres heeft last van slaapproblemen, beperkt eetlust, angstgevoelens, hypervigilantie, stressreacties, benauwdheid en stekende pijn op de borst. Daarnaast is er sprake van suïcidale gedachten. De klachten worden geluxeerd door de dreigende uitzetting naar Duitsland. De ervaren onzekerheid en angst naar aanleiding van de dreigende uitzetting naar Duitsland overdekken op dit moment de onderliggende klachten en het zicht daarop. Deze klachten zijn herleidbaar naar haar jeugd, waarin zij onveiligheid heeft ervaren. Haar detentie en situatie in Duitsland heeft deze oude gevoelens geactiveerd. De dreigende gedwongen terugkeer naar Duitsland leidt tot een toename van suïcidale gedachten en eiseres geeft herhaaldelijk aan dat zij bij een eventuele gedwongen terugkeer naar Duitsland of Irak, sterk overweegt om daadwerkelijk suïcide te plegen.
8.3.
Naar aanleiding van deze medische informatie heeft verweerder het BMA om advies gevraagd. Op 2 januari 2026 heeft het BMA advies uitgebracht. Daarin is vermeld dat eiseres medische klachten heeft, maar dat er geen medische diagnose is die een belemmering vormt om te kunnen reizen. De suïcidale gedachten worden volgens de BMA-arts niet ingegeven door een medische/psychische diagnose, maar door angst voor haar eigen veiligheid. De BMA-arts acht medische reisvoorwaarden wél noodzakelijk. De BMA-arts beveelt aan om een psychiatrische verpleegkundige te laten meereizen, om een schriftelijke overdracht van de medische gegevens mee te nemen en om medicatie te continueren tijdens de reis.
8.4.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank met het BMA-advies de gevolgen van de overdracht op de gezondheidstoestand van eiseres deugdelijk onderzocht en hij mag van dat BMA-advies uitgaan, omdat het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat met het uitvoeren van de door de BMA-arts vastgestelde reisvereisten voorafgaand aan, tijdens of direct na de reis, de twijfel over een schending van artikel 3 vanPro het EVRM als gevolg van de overdracht zelf wordt weggenomen. Gelet hierop heeft verweerder zich zorgvuldig voorbereid en terecht op het standpunt gesteld dat de overdracht zelf van eiseres aan Duitsland, met inachtneming van de medische reisvoorwaarden zoals geadviseerd in het BMA-advies, niet zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiseres. De rechtbank wijst in dit verband ter vergelijking op de Afdelingsuitspraak van 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4774, waarin de Afdeling ook heeft overwogen dat het arrest C.K slechts gaat over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de vreemdeling en niet over de gevolgen van de aankondiging van de feitelijke overdracht op het moment dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft.
8.5.
Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van eiseres op het arrest C.K. niet en heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de overdracht van eiseres aan Duitsland niet zal leiden tot een schending van artikel 3 vanPro het EVRM op medische gronden. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
9.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
9.2.
Eiseres vreest dat zij na de overdracht in Duitsland slachtoffer zal worden van eerwraak door toedoen van haar in Duitsland wonende neven, die samenzweren met haar ex-echtgenoot in Irak. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierin geen bijzondere, individuele omstandigheid heeft hoeven zien die maakt dat de overdracht van eiseres aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Als eiseres vreest voor veiligheidsproblemen op het grondgebied van Duitsland, mag van eiseres namelijk worden verwacht dat zij daarvoor hulp of bescherming vraagt aan de Duitse (desnoods hogere) autoriteiten. Verweerder gaat er, op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, terecht van uit dat de Duitse autoriteiten eiseres, als zij daarom vraagt, kunnen en willen beschermen tegen veiligheidsproblemen in Duitsland. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten haar niet willen of kunnen beschermen tegen de door haar gevreesde eerwraak. Eiseres heeft nooit bij de Duitse politie of andere autoriteiten hulp of bescherming gevraagd voor haar veiligheidsproblemen en heeft ook geen landeninformatie ingebracht waaruit blijkt dat de Duitse autoriteiten asielzoekers niet effectief kunnen beschermen tegen veiligheidsproblemen.
9.3.
Eiseres heeft in dit kader verder aangevoerd dat zij in Duitsland veel slechte ervaringen heeft gehad, zowel met de autoriteiten als met haar familie, en dat als gevolg daarvan haar psychische klachten ernstig zijn toegenomen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
9.3.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860, 9 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:44, en 22 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2357, die de rechtbank onderschrijft, volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en in dat kader zijn beoordeeld, niet (ook) van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. Eiseres heeft in Duitsland, zo heeft zij tijdens het Dublingehoor verklaard en met de na de zitting overgelegde stukken onderbouwd, een toegangsweigering met besluit tot verwijdering naar Irak gekregen en is ter fine van uitzetting naar Irak enige tijd gedetineerd geweest, zulks terwijl zij in Duitsland asiel had aangevraagd. Verweerder stelt terecht dat deze slechte ervaringen van eiseres met de Duitse autoriteiten van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en heeft dit ook in dat kader beoordeeld (zie overweging 7.5.). Deze slechte ervaringen van eiseres in Duitsland kunnen daarom op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt.
9.3.2.
Aan slechte ervaringen met de autoriteiten van de verantwoordelijke lidstaat komt naar het oordeel van de rechtbank echter wel betekenis toe bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc, als de vreemdeling met medische stukken aannemelijk maakt dat hij/zij daardoor psychische klachten heeft opgelopen en dat die klachten door de overdracht of de dreiging daarvan (zullen) verergeren. Eiseres heeft met de door haar in beroep overgelegde medische stukken aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich in haar geval voordoet. Uit de door haar overgelegde verklaring van de psycholoog en de psychiater van 20 november 2025 volgt dat haar psychische klachten, die in haar land van herkomst zijn ontstaan, door haar behandeling in Duitsland (detentie) zijn geactiveerd en dat die in Duitsland geactiveerde klachten in Nederland zijn geluxeerd door de dreigende uitzetting naar Duitsland, zich uitende in grote angstigheid en een toename van suïcidale gedachten.
9.3.3.
Verweerder moet deugdelijk motiveren waarom hij in deze door eiseres onderbouwde psychische problematiek, die op zijn minst deels gerelateerd is aan haar behandeling in Duitsland en de dreiging van een overdracht aan Duitsland, geen bijzondere individuele omstandigheid ziet die maakt dat de overdracht van eiseres aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Dat heeft verweerder niet gedaan. In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat eiseres niet heeft onderbouwd dat er sprake is van psychische gevolgen van haar ervaringen in Duitsland. Hoewel deze onderbouwing er ten tijde van het bestreden besluit inderdaad niet lag, is die onderbouwing (in de vorm van de verklaring van de psycholoog en psychiater) er in beroep alsnog gekomen. Dit maakt dat voormelde motivering in het bestreden besluit niet meer houdbaar is (artikel 83a van de Vw). Verweerder heeft vervolgens geen deugdelijke aanvullende motivering op dit punt gegeven. Verweerder heeft immers geen aanvullend besluit met een motivering op dit punt genomen. En de ter zitting gegeven toelichting dat er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag worden gegaan dat eiseres in Duitsland de benodigde zorg zal krijgen, behelst geen deugdelijke motivering waarom de medische situatie van eiseres als bedoeld onder 9.3.2. geen bijzondere individuele omstandigheid is als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. Deze toelichting ziet namelijk hoofdzakelijk op de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en (op zichzelf) niet op de boordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen die maken dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. Ter vergelijking verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:44, r.o. 2.
9.3.4.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de door eiseres gestelde, en in beroep nader onderbouwde, psychische klachten van eiseres die deels het gevolg zijn van haar ervaringen in en haar dreigende overdracht aan Duitsland, geen bijzondere individuele omstandigheid ziet die maakt dat de overdracht van eiseres aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt.
9.4.
De slotsom is dan ook dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in voormelde omstandigheden geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
11. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, in stand te laten, nu verweerder het motiveringsgebrek in de beroepsfase niet heeft hersteld (zie 9.3.3.). De rechtbank ziet ook geen mogelijkheid om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien, nu het aan verweerder is en (vooralsnog) blijft om te beoordelen en te motiveren waarom hij wel of geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid van artikel 17 vanPro de Dublinverordening. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus. De reden hiervoor is dat het onwaarschijnlijk is, mede gelet op het feit dat eiseres een fatsoenlijke reactietermijn moet worden geboden, dat de rechtbank vóór het verstrijken van de uiterlijke overdrachtstermijn (op 16 januari 2026) einduitspraak zal doen. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres.
12. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.