Eiser, een jongvolwassene van Pakistaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) om bij zijn moeder in Nederland te verblijven. De minister wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank hield een zitting waarbij ook een kindgesprek met een minderjarig broertje van eiser plaatsvond.
De rechtbank oordeelde dat de minister een onjuiste belangenafweging had gemaakt. De minister had ten onrechte het ontbreken van een eerdere verblijfsvergunning en het ontbreken van bijzondere omstandigheden in het nadeel van eiser meegewogen. Ook was onvoldoende rekening gehouden met het belang van de minderjarige broertjes en zusje van eiser en de impact van het samengestelde gezin met Nederlandse kinderen.
Daarnaast had de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het economische belang van Nederland zwaarder zou wegen dan het belang van eiser, terwijl eiser werkzaam is in het bedrijf van zijn stiefvader en daarmee een positieve economische bijdrage levert. De rechtbank stelde dat de minister een nieuwe, zorgvuldige belangenafweging moet maken binnen zes weken, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep zelf gegrond werd verklaard. De minister werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eiser. De uitspraak bevatte tevens een terugkoppeling aan het minderjarige broertje over de procedure en het oordeel van de rechtbank.