ECLI:NL:RBDHA:2026:7233
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De aanvraag werd ingediend op 29 juni 2024, terwijl de minister uiterlijk op 27 december 2024 had moeten beslissen. De minister heeft de beslistermijn verlengd met drie maanden, maar heeft desondanks niet binnen deze termijn een besluit genomen.
De rechtbank stelt vast dat het beroep tijdig is ingesteld en gegrond is. De minister hanteert het 'first-in first-out' (fifo)-principe, waardoor de aanvraag pas in juni 2027 in behandeling wordt genomen. De rechtbank oordeelt dat dit geen reden is om af te wijken van de redelijke beslistermijnen zoals vastgesteld in eerdere jurisprudentie.
De rechtbank legt de minister op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek nodig is en schriftelijk wordt meegedeeld. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor overschrijding van deze termijn. De rechtbank wijst het verzoek om vaststelling van een bestuurlijke dwangsom af vanwege de nieuwe wettelijke regeling. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €467.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn en dwangsom op voor het nemen van een besluit op de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf.